Terug naar de inhoudsopgaaf

HET DAGELIJKS LEVEN IN HET OUDE ROME

2. HET SCHOUWTONEEL: DE STAD, HAAR GEVAREN EN HAAR ONGEMAKKEN

B. DE LAWAAIOVERLAST

Andere ongemakken konden, in tegenstelling met de grote afstanden, niet vermeden worden en waren dan nog alomtegenwoordig ook. Een ongerief van die soort was de verschrikkelijke lawaaihinder, die grotendeels het gevolg was van het chaotische straatbeeld van Rome (gedrang, geroep, verwarring). Die lawaaihinder kon evenwel ook andere oorzaken hebben, zoals we bijvoorbeeld uit een brief van Seneca kunnen afleiden, waarin hij ons een akoestische momentopname geeft van het leven in of boven een badinrichting (thermen) (Seneca, epistulae morales ad Lucilium, 56).

"Ik woon nu boven thermen en voilà, langs alle kanten ben ik omringd door een duivels lawaai. Stel je geroep en geschreeuw voor in alle toonaarden - wel, je zou ertoe komen te wensen dat je doof was. Ik hoor de kreten van mensen die hun lichaam oefenen, terwijl ze zich afbeulen (of doen alsof ze zich afbeulen!): ze zwaaien vervaarlijk met halters van lood en telkens ze uitademen, hoor ik het scherpe gesis van de ontsnappende lucht. Er is er eentje die zich laat masseren; nu hoor ik de handen op zijn schouders kletsen en daarbij verschilt het geluid al naargelang de handen van de masseur vlak of hol op het blote vlees neerkomen. Daar komt er een die niet met de bal kan spelen zonder luidkeels te schreeuwen en die met luide stem de punten begint te tellen. 'Nu is het toppunt wel bereikt', zul je wellicht denken. Niets is minder waar! Voeg daar een gepatenteerde ruziemaker aan toe, en een op heterdaad betrapte klerendief, en een karamellenverzenmaker die niets leuker vindt dan de klank van zijn eigen stem te horen, en de dikzakken die met zoveel geweld in het water van het zwembad springen dat het water plenzend over de boord kletst. Al degenen die ik nu vermeld heb, hebben maar een ding gemeen: het geluid dat ze produceren is nog menselijk te noemen.
Maar wat te zeggen van de onthaarder die af en toe, om de aandacht te trekken, zijn diensten aanbiedt met een falsetdeuntje en nooit zijn bek houdt, tot hij iemand gevonden heeft bij wie hij de haartjes mag uitrukken; maar ja, dan zwijgt hij zelf wel maar is er natuurlijk iemand anders om in zijn plaats te krijsen. Dan heb je nog de venters van drankjes, worstjes, pasteitjes, koekjes enz., die allen hun producten proberen te slijten en daartoe, elk voor zich, de aandacht pogen te trekken met een karakteristiek deuntje."

Van lawaai kon ook Martialis meespreken die, ongeveer veertig jaar na Seneca, het volgende neerschreef (Epigrammen XII 57):

"Een arme heeft in deze stad geen plaats om na te denken, geen plaats om te rusten. 's Morgens is het geen leven met het gedaas van de schoolmeesters, 's nachts met het lawaai dat de bakkers maken, en de godganse dag door met het gehamer van de kopersmeden. Hier zit een geldwisselaar die niets anders te doen heeft dan zijn geldstukken te laten rinkelen op zijn smerige tafel, daar zit een verwerker van Spaans poedergoud tot bladgoud met zijn hamertje op zijn uitgesleten werksteen te tikken. Een dolle troep volgelingen van de godin Bellona houdt niet op met krijsen. Een schipbreukeling, een stuk wrakhout rond de nek, blijft eindeloos zijn wedervaren herhalen. Een door zijn moeder afgericht jodenkind stopt nooit met bedelen. Een kippige verkoper van zwavelstokjes dreint dolgedraaid zijn dom deuntje dag na dag af.
Wie in Rome ooit - tevergeefs! - gepoogd heeft in een verkwikkende slaap weg te zinken, weet uit ervaring de volgende ochtend heel nauwkeurig te vertellen hoeveel handen in deze stad op koperen ketels kloppen telkens als een maansverduistering moet afgewend worden met hels lawaai en eindeloze toverformules."

Je merkt het zelf: lawaai, van welke oorsprong ook, is de meest voorkomende bron van ergernis in het dagelijks leven in het oude Rome.

Terug naar de inhoudsopgaaf