Terug naar de inhoudsopgaaf

HET DAGELIJKS LEVEN IN HET OUDE ROME

2. HET SCHOUWTONEEL: DE STAD, HAAR GEVAREN EN HAAR ONGEMAKKEN

D. WONINGNOOD, EN DE AAN HET LEVEN IN EEN INSULA INHERENTE GEVAREN

 a. Woningnood

In de bovenstaande verzen van Martialis duikt een tweede, levensgroot probleem op waarmee Rome te kampen had: de woningnood.

Wie echt rijk was, leefde comfortabel in een "domus", waarvan het type bekend geworden is als het "Pompejaanse huis". De buitenmuren van een domus waren blind en behalve langs de voordeur en langs de achterdeur waren er geen rechtstreekse verbindingen met de straat. Lucht en licht kwamen de domus binnen langs het atrium en langs het peristylium.

Maar wie niet echt rijk was, leed vaak onder de al eeuwen heersende woningnood. Om die nood te lenigen waren reeds in de vroege derde eeuw voor Christus huurkazernes gebouwd, "insulae" geheten. Rome was in die tijd opgesloten binnen de Serviaanse muur en de gestadig groeiende bevolking kon alleen maar woonruimte vinden in huurhuizen met meerdere verdiepingen.

Op het eind van de derde eeuw voor Christus zijn insulae met drie verdiepingen al zo normaal geworden in het stadsbeeld, dat ze in de teksten van toen en van later zonder speciale nadruk vermeld worden. In de winter van 218-217 voor Christus, zo vertelt Titus Livius ons in zijn geschiedenis van Rome (Ab Urbe Condita, vanaf de stichting van de stad), deden zich talrijke wonderen voor, die het nakende offensief van Hannibal tegen Rome aankondigden.

Zo ontsnapte een rund op het Forum Boarium (de rundermarkt) aan de verkoper, stormde naar een insula naast het plein, klom er via de trappen naar de derde verdieping en gooide zich vandaar in de diepte. Het stortte te pletter te midden van kreten van afschuw van omstaanders en bewoners van het pand.

Op het einde van de republikeinse tijd (de eerste eeuw voor Christus) zei Cicero, in een van zijn redevoeringen over de akkerwetten, dat Rome wel een stad lijkt die in de lucht hangt, zo hoog waren de insulae al geworden in zijn tijd.

In het begin van de Keizertijd, onder het bewind van keizer Augustus (27 voor Christus - 14 na Christus), loopt Vitruvius (architect en auteur van een werk "De architectura", over de architectuur) hoog op met de steeds toenemende hoogte van de insulae; daarin ligt, volgens hem, de enige oplossing om iedereen in Rome aan een woonst te helpen. Maar Augustus verbood het optrekken van insulae die meer dan zeventig voet (eenentwintig meter) hoog waren, omdat de overdreven hoogte van sommige appartementsgebouwen vaak verantwoordelijk was voor hun instorting.
 

b. De instortingen

Maar toch bleven die instortingen aan de orde van de dag, alhoewel de overheid vaak ingreep en wankele woonsten liet slopen vooraleer ze vanzelf in elkaar donderden. Eén van de meest voor de hand liggende redenen om tot afbraak van een insula te laten overgaan, was dat het huurhuis in kwestie de voorgeschreven maximumhoogte niet respecteerde. De wet werd inderdaad zeer vaak omzeild en uitsluitend uit vuig winstbejag: een of twee verdiepingen meer brachten immers aanzienlijk meer huurgeld op!

Een klassieke, naar Belgische normen waarschijnlijk klasrijke manier om de wet te omzeilen, bestond erin dat de gevel van een insula de maximumhoogte nauwgezet respecteerde, maar dat men, op het dak van diezelfde insula, een meter van de gevelrand verwijderd, enkele bijkomende verdiepingen neerpootte. Dat dit procédé inderdaad ten koste van de stabiliteit van het geheel ging, hoeft waarschijnlijk geen betoog...
 

c. Het brandgevaar

Op 19 juli 64 na Christus, onder het bewind van de beruchte keizer Nero (54-68), brak er in Rome een verschrikkelijke brand uit. De geschiedschrijver Tacitus heeft ons hiervan een pakkende beschrijving gegeven, die ook model stond voor de aangrijpende scène van de brand van Rome uit de film "Quo vadis" (Annales XV 38-40).

"Toen greep er een catastrofe plaats, waarvan men niet weet of ze door toeval dan wel door boos opzet van Nero heeft plaatsgegrepen (de geschiedschrijvers laten beide mogelijkheden open), maar die erger en vreselijker was dan alle rampen, die ooit door het geweld van vlammen over deze stad zijn gekomen.
De brand brak uit in dat gedeelte van de Circus Maximus dat grenst aan de Palatijnse heuvel en de Caelius-heuvel. Zodra het vuur daar uitgebroken was in de winkeltjes waar juist die koopwaar opgeslagen was die vuur voedt, raasde het, aangewakkerd door de wind, langs heel de lengte van de Circus. Er waren daar immers geen particuliere woningen, door beschermende muren omringd, of door brandmuren beschermde tempels, of andere gebouwen die het vuur hadden kunnen stuiten.
Onstuimig verspreidde de brand zich, eerst over de laag gelegen stadswijken, richtte zich daarna omhoog naar de hoger gelegen delen van de stad en sloeg vervolgens weer terug in de lagere woonwijken, alles op zijn weg verwoestend. Het vuur verijdelde bij voorbaat alle pogingen tot blussen door de snelheid waarmee het kwaad om zich heen greep, waar nog bij kwam dat de stad met haar nauwe, nu eens naar hier, dan weer naar daar kronkelende straatjes die op de koop toe nog een onregelmatige rooilijn hadden (zoals het oude Rome nu eenmaal was), een heel gemakkelijke prooi voor de vlammen was.
Op de koop toe was er het gejammer van vrouwen in paniek, van zwakke grijsaards of hulpeloze kinderen, was er de niets ontziende haast van hen die voor zichzelf een goed heenkomen zochten, was er het getalm van hen die trachtten anderen te helpen, invaliden ondersteunend of wachtend op hen die minder goed te been waren. Het was een complete chaos, die mensenzee die deels bleef staan, deels voort rende. En vaak werden mensen, die even achterom keken, van opzij of langs voor door het vuur ingesloten; anderen, die naar aangrenzende straten en wijken konden ontkomen, vonden tot hun afgrijzen ook die door het vuur aangetast; zelfs wijken, die men ver van het vuur waande, stonden in brand...
Tenslotte, niet meer wetend wat te ontvluchten of waarheen te ontsnappen, verstopten ze alle wegen of wierpen zich neer op onbebouwde terreinen. Sommigen kwamen om met verlies van al hun bezittingen, anderen hadden niets meer over van hun vroegere hebben en houden; nog anderen vonden de dood - hoewel de weg naar de redding voor hen open lag - uit bezorgdheid voor hun naaste familieleden of uit verdriet om hen, die ze niet aan de dood hadden weten te onttrekken.
Pas de zesde dag slaagde men erin het vuur te beteugelen aan de voet van de Esquilijnse heuvel, door over een onmetelijke oppervlakte de gebouwen te slopen om het vuur een halt toe te roepen. Nog was men niet van de schrik bekomen, noch was de hoop bij het volk teruggekeerd of de brand laaide opnieuw op, gelukkig in een ruimer gebouwde stadswijk, waardoor het verlies aan mensenlevens geringer was.
Rome was onder het bewind van keizer Augustus in veertien regiones of districten verdeeld. Vier ervan bleven intact; drie brandden af tot op de grond; in de zeven overige waren nog maar enkele muren van huizen blijven staan, bouwvallig en zwartgeblakerd.

Maar na de wederopbouw na die verschrikkelijke brand was de situatie, ondanks alle verordeningen van Nero, niet wezenlijk veranderd in de volkswijken. Nero had wel bepaald dat de straten breder moesten worden, dat de kronkelige rooilijnen moesten worden rechtgetrokken, dat bij de wederopbouw geen overdreven gebruik mocht worden gemaakt van brandbare materialen, maar dat bleef allemaal dode letter in de armere volksbuurten zoals de Subura (achter de keizerfora, aan de voet van de Esquilijn en de Viminalis).

De rooilijnen liepen nog steeds schots en scheef, de huurkazernes zaten nog steeds boordevol hout en waren nog steeds even wankel waarbij, zoals voorheen, de ene insula steun zocht bij de andere en de andere insula bij de ene, zonder echte stabiliteit dus; en onder de kerk van San Clemente loopt een steegje uit het post-Neroniaanse Rome, dat amper tachtig centimeter breed is...

Over de insulae uit die tijd merkt de satiricus Juvenalis het volgende op (Satire III, passim):

"Wij wonen in een stad die voor het overgrote deel overeind wordt gehouden door flinterdunne stutbalken. Wanneer de huisbaas met zijn hand wat kalk heeft gesmeerd op een grote barst in een muur, dan nodigt hij de huurders uit rustig te gaan slapen; maar ondertussen blijft de dreiging van de instorting boven het hoofd van die huurders hangen..."

Het overvloedige gebruik van hout werkte natuurlijk ook het brandgevaar in de hand. En als je "brand" zegt, moet je er ook rekening mee houden dat de straten van het oude Rome vreselijk kronkelig en smal waren, dat er geen stromend water was in de appartementen van de insulae en dat het eventueel koken en verwarmen van eten binnenshuis gebeurde op houtskoolkacheltjes...

Het mag dus geen verwondering baren dat er in Rome omzeggens nooit een dag voorbijging zonder dat er meer dan een brand uitbrak. Als die brand dan snel uitbreiding nam, kon gemakkelijk een hele wijk (of meer) van de stad de prooi der vlammen worden. Juist om dat risico zo laag mogelijk te houden, had Augustus dus zijn korps "vigiles" gecreëerd. Maar dat die lang niet altijd snel genoeg konden ingrijpen, moge blijken uit de brand onder Nero, in 64 na Christus; en ook de satiricus Juvenalis kan van branden meespreken (Satire III, passim)!

"Wanneer zal ik eens kunnen leven op een plaats waar 't niet kan branden en waar je een nachtje zonder alarm kan doorbrengen? Er wordt 'brand' geroepen. Er wordt water gehaald. De huurders van de laagste verdiepingen brengen hun bezittingen in veiligheid. Maar onder jouw voeten staat de derde verdieping al in lichterlaaie. En wie dan, hoog boven de straat, onder de dakbalken woont, waar de duiven hun eieren leggen, is zich nog van geen kwaad bewust...Levend roosteren zal hij, zonder een schijn van kans om zich te redden."

Onder het bewind van keizer Trajanus (98-117 na Christus) werd de maximumhoogte van de huurhuizen teruggebracht van eenentwintig tot achttien meter (zestig voet). Dat ook deze beperking in de praktijk dode letter is gebleven, moge blijken uit het feit dat men in Rome, honderd jaar later, heel trots was op een gigantische insula tussen de zuil van Marcus Aurelius en het Pantheon: de insula van Felicula. Deze wolkenkrabber van de oudheid, een stenen aanfluiting van alle bestaande wetten en voorschriften, torende hoog boven de omringende insulae uit, die toch allemaal vijf of zes verdiepingen hoog waren...

Omstreeks 350 telde Rome 1.797 privé-woningen (domus) en 46.602 huurkazernes (insulae), een verhouding dus van 1 op 26. De gemiddelde oppervlakte van een insula varieerde tussen de 300 m² en 400 m²; als men dat grondvlak vergelijkt met de hoogte (en ik bedoel hier de wettelijk toegelaten hoogte!) van achttien meter, dan is de wanverhouding tussen de basis en de hoogte onmiddellijk duidelijk, evenals het uit die wanverhouding voortvloeiende gebrek aan stabiliteit. Bedenk daarbij dat de wettelijk toegelaten maximumdikte van de buitenmuren van een insula 45 centimeter bedroeg, en het hoeft echt geen verder betoog dat instortingen aan de orde van de dag waren!

Woningnood bestond natuurlijk niet voor de rijken, die knusjes in hun domus woonden, en voor de begoede middenklasse, die zich een veilig appartement kon veroorloven in een van de schaarse insulae, die volledig conform met wetten en voorschriften waren gebouwd. Maar rijken en middenklasse maakten slechts een klein deel (sommigen schatten het op ongeveer 20%!) uit van de volledige bevolking van Rome...

Voor het overgrote deel van de bevolking van Rome was woningnood dus een acuut probleem dat af en toe dramatische proporties aannam. Er mag zonder overdrijving gesteld worden dat talloze Romeinen gedwongen waren in bijzonder oncomfortabele omstandigheden te leven.
 

d. De huurprijzen

De insulae volstonden inderdaad niet om aan de steeds maar groeiende vraag van de steeds maar groeiende mensenzee te voldoen en dat had - je raadt het al! - een directe en duizelingwekkende weerslag op de huurprijzen. Talloos zijn dan ook de jammerklachten over de vaak exorbitante huurprijzen in de Eeuwige Stad. In 153 voor Christus moest een - nu niet direct onbemiddelde - koning in ballingschap zijn appartement delen met een kunstschilder, om te vermijden dat hij op straat zou worden gezet... In de tijd van Julius Caesar, omstreeks het midden van de eerste eeuw voor Christus, vertegenwoordigde de huur van een eenvoudig appartement een aanzienlijk deel van een jaarinkomen. In de tijd van keizer Trajanus (98-117 na Christus) kon men, met het jaarlijks huurgeld van een appartement in Rome, in om het even welke provinciestad een riant huis met een grote tuin kopen...

Om een mouw te passen aan dit steeds nijpender wordend probleem, deden de meeste huurders van appartementen aan onderverhuur van die kamers, die ze zelf niet broodnodig hadden. En hoe hoger je in een insula klom, hoe armer de huurders waren en hoe meer men op elkaar gepakt leefde, met alle onaangename gevolgen van dien: luizen, kakkerlakken en andere troeteldiertjes waren daar zeker niet onbekend.

Wie dan, ondanks het wijd verbreide systeem van onderverhuur, nog geen appartement of deel van een appartement kon betalen, moest zich tevreden stellen met oplossingen waarvoor wij allicht de neus zouden ophalen. Voor hen was leven in donkere, vochtige kelders, of op zolders onder de balken en de dakpannen, of onder de trappen in de hal van een insula, of op vlieringen boven op de balken van de tegen de gevel van een insula aangebouwde porticus nog altijd verkieslijker dan het vooruitzicht de nacht te moeten doorbrengen onder de blote hemel, wat het dagelijks lot was van nog onfortuinlijker "inwoners" van Rome...
 

e. Comfort (of gebrek daaraan) in de insulae

De gelukkigen, die kapitaalkrachtig genoeg waren om zich de huur van een klein appartementje in een ordinaire huurkazerne te kunnen permitteren, hadden daar zeker geen overdreven comfort. De kamers waren er klein, vochtig, slecht verlucht en zeer donker, gloeiend heet in de zomer en berekoud in de winter.

Juvenalis, de satiricus, schrijft dan ook, sprekend over zo'n kamer in een insula of appartementsgebouw (Satire III, passim):

"Ik heb de duisternis zelf gehuurd."

De vensteropeningen waren namelijk niet voorzien van ramen; bij grote hitte of bij guur weer schermden de bewoners van de appartementen de - overigens vrij kleine - vensteropeningen af met doeken of houten panelen, wat dan de zichtbaarheid binnen tot praktisch nul herleidde...

De kamers hadden, in tegenstelling tot die van onze appartementen, geen vaste bestemming; elk vertrek kon als slaapkamer of huiskamer gebruikt worden, want keuken en badkamer ontbraken volledig in de oudheid: er was in de appartementsgebouwen in de regel immers geen stromend water! Dit nadeel had natuurlijk wel het voordeel dat men, bij onderverhuren van zijn appartement, zelf genoeg had aan slechts een kamer.
 

f. Het probleem van het gebrek aan stromend water

Enkele privé-woningen beschikten wel over water, dat naar het huis in kwestie geleid werd door een - natuurlijk peperdure - aansluiting op een aquaduct, maar zo'n aansluiting kon alleen bij de gratie van de keizer verleend worden. Die toestemming werd uiterst zelden verleend, omdat de gebruikte buizen van lood waren - een zacht metaal - en omdat er op hun parcours vaak "afgetapt" werd door kleine leidingen aan te sluiten op de officieel toegelaten leiding.

Appartementsgebouwen daarentegen hadden, net zoals het overgrote deel van de domus of privé-woningen, geen stromend water. Dit in onze ogen minimale comfort ontbrak dus in 95% van de woonsten van de stad, waar dagelijks zo'n 1.123.000.000 liter water binnenkwam... Een harde, kurkdroge realiteit!

Wie dus water nodig had - en wie heeft er eigenlijk geen water nodig? - deed ofwel een beroep op een slaaf (aquarius = waterdrager), ofwel moest hij, bij gebrek aan slaaf, zelf naar beneden sloffen met een kruik om water te putten aan een fontein op de binnenkoer van de insula; je begrijpt dat ook fonteinen op binnenkoeren een luxe waren die stevig in de huurprijs werd doorberekend! Normaal moest men dus naar een van de andere (door een of andere aquaduct bediende) fonteinen op kruispunten, op pleinen of langs drukke straten. En vervolgens moest men met de volle kruik terug naar huis, de trappen op...

Als je dan rekening houdt met onze menselijke geaardheid ("la loi du moindre effort" of "liever lui dan moe"), dan valt het licht te begrijpen dat de van het gebruik van water afhangende zindelijkheid van de appartementen placht af te nemen naarmate de appartementen hoger lagen in het gebouw.

De huiseigenaars hadden de verplichting om op elke verdieping een paar grote kruiken water gereed te houden voor het geval er brand zou uitbreken. Die kruiken werden door de bewoners van de insula - om begrijpelijke redenen - ongemoeid gelaten: nog liever iedere dag trappen doen om water te halen dan ooit op een dag bij een brand om te komen omdat je 't bluswater gebruikt had om het huishouden te doen...
 

g. Het probleem van de toiletten

Als appartementen niet over keuken of badkamer beschikten, dan beschikten ze nog veel minder over toiletten. Probeer je dan in volgende situatie in te leven: je woont vijf hoog en voelt plots een onweerstaanbare drang om de inhoud van blaas of darmen aan de openbaarheid prijs te geven. Wat doe je dan? Je kon niet anders dan snel naar beneden gaan en naar de dichtstbijzijnde openbare toiletten (latrina) hollen, waar je je ballast tegen de zeer lage vergoeding van maar een as (ongeveer 0,025 Euro) kwijt kon.

Een tweede mogelijkheid, die in de praktijk evenwel beperkt bleef tot kleine boodschappen voor mannelijke mensen (is dit een "contradictio in terminis"?) was je urine, via de daartoe geëigende leiding, te laten weglopen in een ton op een straathoek of voor de deur van een voldersatelier. Volders gebruikten namelijk urine om het vet van schapenwol op te lossen, en ze mochten van de overheid, om aan de broodnodige vloeibare grondstof te geraken, vaten neerzetten in de buurt van hun bedrijfjes.

Een derde, voor de bewoners van een insula minder welriekende oplossing inzake ontlasting was een of ander recipiënt op je kamer te hebben, dat je dan op je gemak ter plaatse kon vullen. De inhoud van dat vers gevulde geval kon je daarna gaan leeg kieperen in een groot vat, dat op het gelijkvloers onder de trappen stond opgesteld en regelmatig door de slaven van de huiseigenaars werd leeggemaakt. Bij ontstentenis van dat vat onder de trappen (en je moet echt niet over veel verbeelding beschikken om een reden te bedenken waarom de huiseigenaar het vertikte om er een te laten zetten, zeker als hij zelf in het gebouw woonde!) moest men naar buiten, naar de in elke buurt van Rome aanwezige mesthoop: elke wijk telde er meer dan een! Op gezette tijden kwamen boeren uit de omgeving van de stad de mest weghalen om er hun grond een lekkere beurt mee te geven.
 

h. Het nachtelijk dumpen van afval

Maar ondanks al de hoger beschreven faciliteiten inzake het zich ontdoen van excrementen waren er toch nog lieden uit barbaarse kringen die een voor hen eenvoudiger oplossing toepasten: ze keilden de inhoud van hun volle pot drollen 's avonds, onder bescherming van het duister, doodgemoedereerd naar beneden. Een beetje pech toch wel voor toevallige voorbijgangers, die deze gratis parfummonsters niet wisten te waarderen.

Dit vanuit vensters en van op balkons naar beneden gooien beperkte zich evenwel niet tot toch nog altijd zacht aanvoelende uitwerpselen. Hetzelfde deed men met alle andere soorten afval, variërend van etensresten tot gebroken potten en pannen.

Er bestonden natuurlijk wel wetten om die praktijken te beteugelen, maar daar trokken sommige Romeinen zich geen ene moer van aan. Eén van die wetten stelde alle bewoners van een appartement (de huurder en de eventuele onderhuurders) gezamenlijk verantwoordelijk voor iedere vorm van schade, berokkend aan een voorbijganger, door om het even welke vorm van afval die de voorbijganger had getroffen van op een balkon of vanuit een venster. Ook hiervan weet Juvenalis een en ander af (Satire III, passim):

"Je moet eens nagaan van welke hoogte er van alles op je kop kan vallen... En dat gevaar beloert je van achter elk venster waar licht brandt! Als je 's avonds moet buitenkomen, doe je er verstandig aan eerst je testament te maken. En als er dan toch iets op je hoofd moet terechtkomen, hoop dan dat het de inhoud van een toiletpot is, liever dan iets harders."

Terug naar de inhoudsopgaaf