Terug naar de inhoudsopgaaf

HET DAGELIJKS LEVEN IN HET OUDE ROME

2. HET SCHOUWTONEEL: DE STAD, HAAR GEVAREN EN HAAR ONGEMAKKEN

E. DE DRUKTE IN ROME OVERDAG

Het feit dat het overgrote deel van de bevolking van Rome niets om handen had, gecombineerd met de realiteit dat het schier onmogelijk was een huiselijk leventje te leiden in de armzalige appartementjes, in de minuscule woonruimte in kelders, op mansardes, op vlieringen of onder trappen, dwong iedereen de dag buitenshuis door te brengen, in een van de vele openbare gebouwen of op straat. En hier weze opgemerkt dat in Rome slechts een relatief klein aantal straten geplaveid waren; de rest van de straten waren aardewegen...

Door buitenshuis te zijn leverde iedereen zijn bescheiden bijdrage om de algemene levenssfeer in Rome grondig te verpesten. In de stad heerste van zonsopgang tot zonsondergang de vermoeiende drukte van een wemelend wirwar van werkeloze wandelaars; de enerverende drukte van botsingen tussen onbezonnen want haastig voort snellende mensen en op niets bedachte want rond zich gapende passanten, waarbij beiden niet zelden kennismaakten met de Romeinse grond; de zenuwslopende drukte van woedende honden die hun wanhopige baasjes achter zich aan sleurden; de angstaanjagende drukte van een voorbij rennend varken dat zich, voorlopig althans, aan het mes van de er achteraan hollende slachter had weten te onttrekken; de door het hoofd snijdende drukte van de talrijke verkopers van zwavelstokjes, tweedehands schoeisel en andere rommel, en van afslagers die met een indrukwekkende overredingskracht de meest waardeloze dingen aan de man brachten, met de daarbij horende oeverloze discussies over de prijs; de intrigerende drukte van de uitoefenaars van die beroepen, waarmee het altijd wel lukt de argeloze omstanders het geld uit de zakken te kloppen, zoals slangenbezweerders, degenslikkers, apendresseurs en wat dies meer zij; de fascinerende drukte van de combinatie van een radde tong en snelle gebaren van kwakzalvers, die een of ander uitzonderlijk geneesmiddel aanprezen dat, naar hun zeggen althans, al menig wonder had verricht...

Nee, in Rome overdag op straat leven was zeker geen sinecure. En toch moeten we er van uit gaan dat dit helse leven op straat door de Romeinen verkozen werd boven thuisblijven, welk weer het ook was.

Ook Juvenalis' ervaring met het straatleven liegt er niet om (Satire III, passim):

"Als een rijke voor zaken de deur uit moet, dan laat hij zich voeren in een draagstoel. Eerbiedig wijkt de menigte gewone stervelingen en statig glijdt hij als het ware over de hoofden heen, als een schip op de golven. Veilig zit hij opgesloten in zijn draagstoel, waar hij rustig kan lezen, schrijven of zelfs slapen... Ik ben even gehaast als hij, maar de massa voor mij uit verspert me de weg, de massa achter mij duwt en dringt en stompt me in de nieren. Eentje geeft me een elleboogstoot in de flank, een ander botst hard tegen me aan met een plank, een derde verkoopt me een fikse lel tegen mijn kop met een balk en voor ik daarvan bekomen ben, ben ik half versuft tegen een door iemand meegezeuld vat gelopen.En aan de onderkant van mijn lichaam vergaat het me al niet veel beter: mijn benen zitten onder de modder, mijn voeten lijken wel het doelwit van alle schoenen in de buurt en een passerende soldaat blijft met een roestige spijker van zijn soldatenlaars in mijn teen vasthangen."

Als we Juvenalis' wedervaren tijdens honderd meter wandelen door Rome natuurlijk "cum grano salis" moeten nemen, dan mogen we toch niet uit het oog verliezen dat (behalve de door hem beschreven ongemakjes) ook zeer reële gevaren de wandelaars in Rome bedreigden. Juvenalis vervolgt immers (Satire III, passim):

"Daar komt een reusachtige spar op ons af, waggelend op een gammele wagen, en daarachter volgt nog zo'n wagen met een den. Hoog boven de mensenzee deinen die bomen heen en weer en elk ogenblik schijnen ze te zullen vallen. Maar als nu eens de as zou breken van een van die andere reuzenwagens, die volgeladen zijn met reusachtige blokken marmer, en als de lading nu eens op de voorbijgangers zou terechtkomen, kun jij je dan voorstellen wat er van die platgesmeerde lichamen overblijft? Zou jij de armen en de benen nog uit elkaar kunnen houden?"

In die chaotische verwarring liepen zowat alle bekende nationaliteiten rond. Een Thrakiër botste op een Sarmaat, een Kilikiër bekeek argwanend een passerende Arabier, een Germaan gaapte een Ethiopiër na. En de Romeinse klaplopers, zul je je afvragen? Daarover bericht ons Seneca, in zijn werk over de gemoedsrust (De tranquillitate animi, passim):

"De Romeinse klaplopers zwerven door de straten, over de fora, in de zuilengalerijen, altijd klaar om zich met andermans zaken te bemoeien, altijd met de air van god-wat-heb-ik-het-toch-weer-druk-vandaag. Ze lopen hier, ze lopen daar, zonder zelf te weten waarheen; ze doen niets van wat ze zich eventueel voorgenomen hebben te doen, ze ondergaan slechts wat hen overkomt. Soms is het pijnlijk om hen bezig te zien: ze lopen alsof ze ergens een brand moeten blussen, met zo'n geweld botsen ze tegen iedereen op die hun pad durft kruisen; ze lopen zich het vuur uit de sloffen om op een straathoek een voorname heer te gaan groeten, hoewel ze van te voren weten dat die hun groet niet zal beantwoorden; met het uitgestreken smoelwerk van een lijkbidder lopen ze mee in de begrafenisstoet van een dode die ze nooit hebben gekend; ze sluiten enthousiast aan bij een schare supporters van de een of andere rijke, die de manie bezit alles voor de rechtbank te willen brengen; ze juichen uitbundig bij een huwelijksceremonie van twee illustere onbekenden; als ze een draagstoel zien passeren, lopen ze mee en houden zich klaar om, wanneer de gelegenheid zich voordoet, de schouder onder de draagbalk te zetten en mee te dragen, wel rekenend op een beloning."

Terug naar de inhoudsopgaaf