Terug naar de inhoudsopgaaf

HET DAGELIJKS LEVEN IN HET OUDE ROME

2. HET SCHOUWTONEEL: DE STAD, HAAR GEVAREN EN HAAR ONGEMAKKEN

F. "ADRESSEN" IN ROME

Je wil een brief sturen naar iemand die Aulus Nomentanus heet. Of je wil Aulus Nomentanus gaan bezoeken. Aulus Nomentanus woont in Rome. Maar waar juist woont Aulus Nomentanus? Hoe duid je een adres aan in een stad, waar slechts een handvol straten een naam heeft, waar de huizen in de straten geen huisnummer dragen? Hoe kan je dan hopen dat je brief of dat je eigen persoontje ooit bij Aulus Nomentanus zal aankomen?

Voor ons is dit probleem allang geen probleem meer. Als een poststuk de naam van de bestemmeling vermeldt, de naam van diens straat en het huisnummer (gevolgd, als het om een appartementsgebouw gaat, door nummer of letter van de brievenbus), en de naam van de stad waar de bestemmeling woont, dan komt het poststuk aan, of we arriveren zelf ter plekke als we op bezoek gaan. In de Romeinse tijd was op bezoek gaan of corresponderen dus duidelijk heel wat minder eenvoudig!

Wie in de oudheid voor de eerste maal in een klein stadje of in een dorp aankwam, had doorgaans niet veel last om zijn vriend of relatie op te snorren: iedereen kende daar ongeveer alleman, en door te vragen of men soms Aulus Nomentanus kende en wist waar die woonde, werd men steeds dichter bij het doel gestuurd, indien men al niet van de eerste maal correct werd doorverwezen.

Maar Rome was nu niet bepaald een klein stadje, laat staan dat het een dorp was! Om een idee te krijgen van hoe in Rome een adres werd "omschreven", volgt hier een tekst uit Terentius, een komediedichter die in de tweede eeuw voor Christus leefde. Er zit in deze tekst natuurlijk een element van overdrijving (het is immers een komedie), maar het gecompliceerde karakter van de antieke "adressen" is niet verzonnen!

Syrus, een slaaf, stuurt zijn oude meester Damea, die op zoek is naar zijn verdwenen broer, door de hele stad wanneer hij hem vertelt waar Damea's broer te vinden is (Terentius, Adelphoi, 571 sqq):

Syrus: Ik ken die man niet, maar ik weet toevallig wel waar hij woont.
Damea: Komaan dan, spreek op!
Syrus: Ken je die porticus, beneden bij het forum?
Damea: Natuurlijk ken ik die.
Syrus: Steek vandaar het forum recht over, en ga dan omhoog, de heuvel op. Als je boven bent, zie je aan de ene kant een tempel en aan de andere kant een steegje.
Damea: Waar is dat juist?
Syrus: Wel, daar beneden; er staat daar een grote wilde vijgenboom
Damea: Juist, ja; ik weet het al.
Syrus: Ga daar dan verder.
Damea: Ja, maar dat steegje loopt dood!
Syrus: Verdorie toch... Wat een stomme ezel ben ik! Ik vergis me natuurlijk! Keer dan op je stappen terug naar de poort; dat is een veel kortere weg en er is minder kans dat je verdwaalt. Weet je waar het huis van de rijke Cratius staat?
Damea: Natuurlijk!
Syrus: Ga dat voorbij; sla dan linksaf, steek het plein over en sla rechtsaf. Voor je bij de poort komt, zie je een fontein en aan de overkant een schrijnwerkerij. Wel, daar zul je je broer vinden!

Zoals we zullen zien, moet de werkelijkheid niet onderdoen voor de fictie. Maar laten we nu op zoek gaan naar onze vriend of naar de bestemmeling van onze brief! Als vriend of bestemmeling een erg bekende persoon was, dan volstond natuurlijk de vermelding van diens naam ruimschoots om naar de juiste plaats doorverwezen te worden. Maar als vriend of bestemmeling minder (of niet) bekend was, dan kon de naam alleen natuurlijk onmogelijk volstaan. Soms woonde vriend of bestemmeling evenwel in een straat, die behoorde tot het kleine kransje straten van het oude Rome, die een naam droegen. Zo de Via Lata (die het Marsveld doorkruiste naar het noorden toe), de Alta Semita (die over de kam van de Quirinalisheuvel liep), de Via Sacra (die door het Forum Romanum liep), de Via Nova (die langs het Forum Romanum liep, aan de voet van de Palatijn), etc.

Vaak volstond deze straatvermelding op zich niet. De Via Lata was kilometers lang en men moest dus nauwkeuriger omschrijven met "aan het begin" of "in het midden" of "op het einde". Bij de Alta Semita kon de toevoeging ook zijn "bij het begin van de helling" of "waar de helling eindigt" of "op het hoogste punt".

Indien vriend of bestemmeling in een anonieme straat woonde, werd soms verwezen naar "iets" dat zich bevond in de buurt van de woning van onze vriend of bestemmeling, iets dat verondersteld werd algemeen bekend te zijn in Rome. Dat "iets" kon een monument zijn, een zuil, een heiligdom, een tempel, een openbaar gebouw, een graanopslagplaats, een kazerne, een porticus, een heilig bosje of tuinen. Dat waren de kompassen waarvan men zich moest bedienen om vriend of bestemmeling te kunnen vinden.

Dat iets kon ook herinneren aan een vroegere (soms landelijke) situatie, waarvan de naam was blijven voortbestaan. Zo kende Rome de capita bubula = de stierenkoppen (op de Palatijn); het caput Africae = het hoofd van Afrika (bij de Caeliusheuvel); het caput Gorgonis = het hoofd van Gorgo (in Trastevere); de decem tabernae = de tien winkels (op de Quirinalis); de gallinae albae = de witte kippen (eveneens op de Quirinalis); de duodecim portae = de twaalf poorten (bij de Circus Maximus); de ciconiae nixae = de ooievaars die hun snavel uitstrekken (bij de Circus Flaminius).

We geven nu enkele voorbeelden van adressen nabij algemeen bekende herkenningspunten. Zo kon men een woning bezitten of een appartement huren nabij het standbeeld van Romulus (naast de Via Sacra); het standbeeld van de Amazone (aan het begin van de Via Sacra), een trefpunt voor homofielen; het standbeeld van Marsyas (op het Forum Romanum), waar de geldhandelaars bij elkaar zaten; de tempel van Tellus (op de Oppiusheuvel); de tempel van Diana (op de Aventijn); de porticus van Catulus (op de Palatijn); de tuinen van Drusus, die van Cassius, die van Galba (in Trastevere); etc.

Eén van de gemakkelijkere manieren om een woonplaats te situeren werd in de hand gewerkt door de gewoonte die in Rome bestond om beroepen in dezelfde straat of in enkele aangrenzende straten te concentreren. Zo woonde Marcus Porcius Laeca (een aanhanger van Catilina), in wiens huis de leider ooit een vergadering van alle samenzweerders belegde, inter falcarios, "in de straat van de zeisensmeden".

Tenslotte was er nog het aanknopingspunt van de alleenstaande boom die de jaren had getrotseerd, ondanks de immer voortschrijdende verstedelijking. De in deze bladzijden reeds meermaals geciteerde epigrammendichter Marcus Valerius Martialis woonde ad pirum, "bij de perenboom" op de Quirinalis; en in de tekst van de Adelphoi hierboven wist Damea toch de grote wilde vijgenboom staan?

Terug naar de inhoudsopgaaf