Terug naar de inhoudsopgaaf

HET DAGELIJKS LEVEN IN HET OUDE ROME

3. DAGELIJKSE BEZIGHEDEN, GEWOONTEN EN GEBRUIKEN IN ROME

B. DE JACHT OP DE CENA (het avondmaal)

Opdat het vervolg duidelijk zou zijn, moeten we even de begrippen "rijk" en "in goede doen" duidelijk omschrijven en van elkaar onderscheiden.

Echt rijke Romeinen waren mensen die niet hoefden te werken en desondanks afgeladen rijk bleven; ze konden zich dagelijks grote uitgaven permitteren. Het aantal echt rijke Romeinen lag hooguit tussen de drieduizend en de vijfduizend. Hun fortuin kwam uit grondbezit, onroerende goederen (insulae), handel, industrie of openbare werken, of uit een combinatie van enkele van die elementen.

Romeinen in goede doen zouden in onze ogen nog steeds doorgaan als rijk; we zouden ze kunnen omschrijven als kleine renteniers, met een vrij stabiel jaarinkomen dat echter geen ondoordachte uitgaven toeliet maar hen integendeel tot een bepaalde vorm van zuinigheid aanzette. Aan hun kapitaal wilden ze immers niet raken, want de opbrengst daarvan behoedde hen voor de schande te moeten werken!

Romeinen in goede doen hadden hun eigen cliënten (een beduidend lager aantal dan de echte rijken!) die elke ochtend trouw bij hun heer (de patronus) de ochtendgroet (salutatio) kwamen brengen. In ruil voor deze dagelijkse blijk van gehechtheid kregen ze van hun patronus net voldoende geld of voedsel om er de dag mee door te komen.

Door dit systeem verzekerde de patronus zich van de dagelijkse aanwezigheid van zijn cliënten. Als wederdienst voor zijn vrijgevigheid verwachtte de patronus dat zijn cliënten hem steunden in processen, hem begeleidden op straat, met hem naar de thermen gingen, enz. Elke patronus stelde de aanwezigheid van zijn cliënten in hoge mate op prijs, want naarmate het aantal cliënten groter was, groeide ook het aanzien dat hij in de stad genoot.

De cliënten zelf werkten niet; handenarbeid beschouwden ze als onterend, zo in de trant van "'t zijn zotten die werken". Het was natuurlijk niet echt eervol om cliënt te zijn, maar daar maakten de cliënten zelf helemaal geen punt van. Ze beschouwden zichzelf als heel wat beter dan de andere armen, die evenmin als zij werkten, maar leefden van de gratis rantsoenen graan, olie en wijn die de staat liet uitdelen in de Porticus Minucia (die om die reden ook Porticus Frumentaria werd genoemd naast het moderne Largo di Torre Argentina lag). De mensen die van de liefdadigheid van de staat leefden, werden tot de laagste trap van het gepeupel gerekend en ze bleven daartoe behoren tot ze hun lot konden verbeteren door cliënt te worden van een rijke Romein of van een Romein in goede doen.

Voor cliënten was het natuurlijk interessanter om elke ochtend hun opwachting te maken bij een rijke patronus dan bij een patronus in goede doen; bij de rijke patronus was de dagelijkse tegemoetkoming ruimer en bestond er altijd een kans dat men al eens werd uitgenodigd op een cena, een avondmaal; bij de patronus in goede doen was de kans op een invitatie voor een cena quasi onbestaande.

Inderdaad, een cena was een uitgebreide maaltijd van meerdere gangen, die we dus best kunnen vergelijken met bijvoorbeeld een kerstmaaltijd van bij ons. Het was dus een dure aangelegenheid: wie kan er zich dagelijks een kerstdiner veroorloven, met alles erop en eraan? De situatie was dus zo dat een cena, hoe chic ook, geen enkel probleem vormde voor een rijke, maar dat een Romein in goede doen liever op een cena werd uitgenodigd dan er zelf een te bekostigen. Vaak de cena thuis moeten gebruiken kon rampzalige gevolgen hebben voor hun budget. In onze ogen totaal absurd is de realiteit dat alle rijke Romeinen en alle Romeinen in goede doen een cena beschouwden als iets levensnoodzakelijks, dat het gewoon niet in hun hoofd zou opgekomen zijn "beneden hun stand" te avondmalen...

Ontbijt en middagmaal vormden daarentegen geen probleem. Voor die maaltijden stelde men zich tevreden met wat brood en enkele koude kliekjes van de cena van de vorige dag, die men ofwel zelf over had of die men, in een servet, mee naar huis had mogen nemen.

Voor Romeinen in goede doen begon elke dag dus weer met een levensgroot vraagteken: waar ga ik vanavond gratis aan een cena aanliggen? Voor hen kwam het er dus op aan zich ergens bij een rijke te laten uitnodigen opdat ze hun eigen budget makkelijker in evenwicht zouden kunnen houden.

Om die uitnodiging vast te krijgen wendden ze alle mogelijke trucjes aan en legden ze vooral veel geduld en doorzettingsvermogen aan de dag. Als je op zoek was naar een gratis cena, deed je er best aan alle openbare plaatsen van de stad af te schuimen tot je op een rijke botste in de gepaste gemoedstoestand, die je op zijn avondmaal inviteerde - waarbij hij natuurlijk terzelfder tijd zijn rijkdom etaleerde!

Martialis voert zo'n cena-zoeker ten tonele, een zekere Selius (Epigrammen II 14):

"Selius probeert alles, Selius durft alles wanneer hij geconfronteerd wordt met het schrikbeeld thuis te zullen moeten avondmalen. Hij holt naar de porticus van Europa op het Marsveld en begint een eindeloze lofzang op jou, Paulinus, en op jouw voeten, even snel als ooit Achilleus' voeten waren! Als Europa hem niets oplevert, dan richt hij zijn schreden naar de Saepta, op zoek naar meer begrijpende slachtoffers. Als hij ook daar wordt teleurgesteld, dan gaat het naar de nabijgelegen Isistempel, en daar installeert hij zich in een zetel naast jouw vereerders, o Isis! Vandaar naar de op honderd zuilen rustende Hekatonstylon-porticus. Vandaar naar de porticus van Pompeius met de daarbij horende tuinen. De thermen van Fortunatus en Faustus slaat hij niet over, en hij neemt een duik in het zwembad van Gryllus en in dat van Lupus, waar alle Aiolische winden tegelijkertijd aanwezig schijnen te zijn. Telkens weer doorloopt hij de thermen en telkens weer baadt hij. Als hij dat allemaal gedaan heeft en de goden zijn hem nog steeds niet gunstig gezind geweest, dan keert hij, fris gewassen, terug naar de nu in de warme zon badende porticus van Europa, voor het geval een van zijn vrienden daarheen is gegaan voor een late wandeling. Goede goden, nodigen jullie Selius toch uit voor de cena!"

Mensen als Selius waren tot alles bereid, als ze maar aan avondeten geraakten. De meest onbeduidende dienst die ze konden verlenen, gecombineerd met platte vleierij, bleek soms een afdoend wondermiddel om het gestelde doel te bereiken. Luister maar naar - alweer - Martialis (Epigrammen XII 82):

"Ontsnappen aan Menogenès in de thermen of in de buurt van de thermen is gewoon onmogelijk, hoe handig je het ook aan boord legt.
Bij het balspel geeft hij de door hem gescoorde punten aan jou cadeau. Hij zal, als de bal wat ver van jou is weggerold tot in het mulle zand van de palaestra, de bal gaan halen, ook al heeft hij reeds gebaad en heeft hij zijn maaltijdslippers al aan de voeten.
Als hij je badhanddoek draagt, dan verzekert hij dat jouw handdoek witter is dan sneeuw, ook al is hij smeriger dan een kinderkontje. Als je met pijnlijke nauwgezetheid de weinige haren die je nog resten met een kam over je schedel verdeelt, dan zal hij zeggen dat je een prachtig gelokte haardos hebt, waar Achilleus zelf jaloers op zou zijn.
Onafgebroken spreekt hij heilwensen voor je uit en hij blijft onophoudelijk het zweet van je voorhoofd betten... Alles aan jou prijst hij, voor alles aan jou staat hij in bewondering, totdat je eindelijk zegt 'Kom mee-eten', om van zijn gezeik verlost te zijn."

Als alle middeltjes om op andermans cena uitgenodigd te worden gefaald hadden, dan was de catastrofe nakend. Ook voor Selius, als we Martialis mogen geloven (Epigrammen II 11):

"Als je Selius met een gezicht als een donderwolk ziet ijsberen in de porticus, als zijn sombere gedachten geen woorden vergen om begrepen te worden, als zijn gezicht zo lang is dat hij erover zou kunnen struikelen of als hij zich, de wanhoop nabij, op de borst klopt en zich de haren uitrukt, weet dan, Rufus, dat Selius niet de dood van een vriend of broer beweent, dat zijn beide zonen nog in leven zijn (en moge dat nog lang zo blijven!), dat zijn vrouw en zijn slaven het goed stellen, dat zijn bezit ongeschonden is en dat hij niet bedrogen wordt door de beheerder van zijn landgoed. Je bent dan wel benieuwd naar de ware oorzaak van zijn smart? Selius moet vanavond thuis eten."

En hoe leg je het dan aan boord om thuis te eten als je gewoonweg geen geld hebt om thuis een cena te laten bereiden? Dat legt Martialis - steeds hij! - ons uit (Epigrammen II 57):

"Die man daar, die je met trage, besluiteloze stappen ziet lopen, in purperen gewaad gekleed; voor wie de wandelaars in de Saepta eerbiedig wijken; die eleganter gekleed is dan om het even wie in Rome; die op de voet gevolgd wordt door een troep cliënten en door langharige slaven; die onlangs een nieuwe matras en nieuwe gordijnen voor zijn draagstoel heeft gekocht; welnu, die man heeft zopas, om vanavond te kunnen eten, bij pandjesbaas Cladus zijn ring verpand voor een habbekrats."

Zo ontstond het eigenaardige gebruik dat een patronus met tientallen cliënten zelf cliënt werd van een nog rijkere patronus. Dit ontlokt aan Martialis volgende commentaar (Epigrammen II 18):

"Ik hengel bij jou, Maximus, naar een uitnodiging voor een avondmaal. Ik geneer me er wel voor, maar ik doe het toch. Jij vist echter bij een ander naar een uitnodiging voor een avondmaal. We zijn dus gelijken! 's Ochtends vroeg kom ik naar jouw huis om je de ochtendgroet te brengen. Er wordt me gezegd dat jij allang op weg bent om elders zelf de ochtendgroet te brengen. We zijn dus gelijken! Ik vergezel jou op straat, ik doe de massa plaats maken voor jou. Jij vergezelt echter een ander. We zijn dus gelijken! Maar ik heb er schoon genoeg van, Maximus, het vijfde wiel aan de wagen te spelen. Ik vind dat een patronus patronus moet blijven en geen cliënt mag worden."

Terug naar de inhoudsopgaaf