Terug naar de inhoudsopgaaf

HET DAGELIJKS LEVEN IN HET OUDE ROME

3. DAGELIJKSE BEZIGHEDEN, GEWOONTEN EN GEBRUIKEN IN ROME

INTERMEZZO 2. SPIJZEN EN DRANK TIJDENS EEN CENA

Martialis, Epigrammen I 43

"We waren gisteren met zestig genodigden bij jou, Mancinus, en men heeft ons niets anders voorgezet dan een everzwijn. Geen druiven, overgehouden uit een late oogst, geen gezoete appelen die kunnen wedijveren met lekkere honingraten, geen peren, opgehangen aan lange takken, en geen Punische granaatappels met een kleur als rozen die maar een dag bloeien. Het landelijke Sassina had ons geen kegelvormige kaas gestuurd, en er kwam geen olijf uit Picentijnse vaten... Een armzalig everzwijn, en klein bovendien; een ongewapende dwerg had het met slechts een hand kunnen doden! En we hebben er zelfs geen stukje van gekregen: we mochten er alleen maar naar kijken. Zo worden ook in de arena everzwijnen voorgeschoteld! Ik wou dat er voor jou, na wat je ons hebt aangedaan, nooit meer een everzwijn werd opgediend maar dat je zelf voorgezet werd aan het everzwijn dat onlangs korte metten heeft gemaakt met de jager Charidemus in de arena!"

De schitterendste schildering van het dagelijks leven in de tijd van Nero is te vinden in het Satyricon, een eerder fragmentair bewaarde schelmenroman van Nero's "arbiter elegantiae" of trendsetter, Caius Petronius Arbiter.

De hoofdrolspelers zijn twee jongemannen, Encolpius en Ascyltus, en het jonge slaafje Gytoon, dat met de twee anderen lief en leed en bed deelt. Dit drietal wordt uitgenodigd op een cena bij een libertus, Trimalchio genaamd, die astronomisch rijk geworden is en die per cena - noblesse oblige - astronomische bedragen spendeert.

Enkele werkelijk te schaarse excerpta uit het overbekende Cena Trimalchionis pogen een beeld op te hangen van dit evenement, dat zeker niet alleen om culinaire en gastronomische redenen onze aandacht verdient. De verteller, de ik-figuur dus, is Encolpius.

Petronius, Satyricon, passim

Er werd een keurig voorgerecht opgediend. Op het dienblad stond een bronzen ezeltje met een dubbele lastkorf. In de ene korf zaten er groene, in de andere korf zwarte olijven. Naast het ezeltje stonden twee schaaltjes, met op de rand de naam van Trimalchio en het gewicht aan zilver. Er lagen hazelmuizen op, besprenkeld met honing en maanzaad. Verder waren er gloeiend hete worstjes op een zilveren rooster, met daaronder zwarte damastpruimen en rode granaatappelpitten.

Er werd een schaal opgediend met een korf erop, waarop een houten hen zat, met breed uitgespreide vlerken, zoals kippen plegen te hebben wanneer ze op eieren broeden. Daar kwamen twee slaven aan, die onder de luide tonen van de begeleidende muziek het stro gingen doorzoeken en er pauweneieren uithaalden, die onder de gasten werden verdeeld.
Trimalchio sloeg dit toneeltje gade en zei: 'Vrienden, ik heb pauweneieren onder die hen laten leggen. Ik ben waarlijk bang dat ze al bebroed zijn. Laten we toch naar eens proberen of we ze nog kunnen leegslurpen.'
We kregen lepels overhandigd die zeker een half pond wogen en stootten een gat in de eieren... die van deeg bleken te zijn. Ik had bijna mijn portie weggegooid, omdat ik dacht dat er in mijn ei een stevig kuiken zou zitten, maar toen ik een habitué hoorde zeggen 'Daar zit zeker iets goeds in!', pelde ik het ei verder open, en vond er een lekkere vette bastaardnachtegaal in gepeperd eigeel.
Ook Trimalchio had zich van alles laten bedienen, en met luide stem liet hij ons weten dat we maar van de honingwijn moesten nemen. Maar plots klonk een sein van het orkestje en onmiddellijk werden de voorgerechten door een zingend koor van slaven afgeruimd. In de drukte viel er een schaaltje op de grond. Trimalchio had het gezien, en beval de onhandige slaaf als straf een oorveeg te geven. Daarop moest de slaaf, die het schaaltje reeds had opgeraapt, het opnieuw op de grond gooien, waar het met een bezem door een andere slaaf bij de rest van de afval werd geveegd en weggegooid.
Toen kwamen er twee Ethiopische slaven met lange haren binnen, met zakjes die leken op die, waaruit men in het amfitheater het zand besprenkelt. Ze goten wijn op onze handen om ze te wassen; water werd niet verstrekt.
We prezen de heer des huizes om zijn stijlvol onthaal, waarop hij antwoordde: 'Mars houdt van een gelijkopgaande strijd; daarom heb ik bij ieder van jullie een eigen tafeltje laten neerzetten. Zo kunnen die stinkende slaven het ons met hun drukte niet benauwd maken.'
Dadelijk daarop werden zorgvuldig dichtgelakte glazen kruiken binnengebracht, die op hun halzen etiketten hadden met de volgende tekst: 'Honderd jaar oude Falernische wijn uit 121 voor Christus'. Terwijl wij de etiketten bestudeerden, sloeg Trimalchio de handen ineen en zei: 'Ach ach... Wijn leeft dus langer dan een mensenkind... Laten we het er dan maar flink van pakken: leven is drinken! We hebben nu echte Falernische wijn aan tafel; gisteren heb ik niet zo'n goeie geschonken en toch had ik veel deftiger mensen te eten!'

Er volgde een gang die in afmetingen helemaal niet aan onze verwachtingen beantwoordde maar die door het onverwachte ervan aller aandacht trok. Het was een ronde dienbak met de twaalf tekens van de dierenriem in het rond, waarop de ontwerper telkens een gerecht had gezet dat verband hield met het teken.
Op de Ram lagen ramserwten, op de Stier een stuk rundvlees, op de Tweelingen testikels en nieren, op de Leeuw een Afrikaanse vijg, op de Maagd de baarmoeder van een onvolwassen zeug, op de Weegschaal een weegschaal met aan de ene kant een taart en aan de andere kant een koek, op de Schorpioen een zeevis, op de Boogschutter een haas, op de Steenbok een zeekreeft, op de Waterman een gans, en op de Vissen twee barbelen. In het midden lag een graszode met een honingraat erop. Een Egyptische slaaf ging rond met brood in een braadpan en zong met een afgrijselijk stemgeluid een aria uit de operette "De duivelsdrekverkoper". Toen we ons, enigszins gedesillusioneerd, opmaakten om deze banale spijzen aan te spreken, moedigde Trimalchio ons aan met de woorden: 'Mag ik de heren verzoeken om te gaan eten? Dat hoort er nu eenmaal bij als je aan tafel zit.'
Na deze woorden kwamen er vier dansers aanhuppelen op de maat van de muziek en namen de bovenkant van de dienbak weg. Daaronder zagen we gemest gevogelte liggen, en een varkensnier en een haas die in het midden met veren versierd was, zodat hij wel het gevleugelde paard Pegasos leek. We aanschouwden ook bij elke hoek van de bak een sater met een leren zak, waaruit pikante vissaus sijpelde over vissen, die als het ware in een ringvaart zwommen.
We applaudisseerden allemaal, daarin voorgegaan door de slaven, en lachend vielen we aan op de uitgelezen lekkernijen. Trimalchio, al even verrukt over deze surprise, riep uit 'Snijder'. Dadelijk stapte de voorsnijder vooruit en op de maat van de muziek sneed hij de spijzen met zo'n gebaren, dat hij wel een wagenmenner in de circus leek, die op de tonen van het waterorgel een schijnwedstrijd rijdt. Toch bleef Trimalchio maar herhalen 'Snijder, snijder'.
Ik vermoedde dat het hier om een grapje ging en vroeg mijn tafelbuur ongegeneerd om uitleg. Hij had dit spelletje vaker gezien en zei: 'Die slaaf, die daar het gevogelte snijdt, heeft hij Snijder genoemd. En telkens als hij nu tweemaal 'Snijder' zegt, roept hij hem met de eerste 'Snijder', en geeft hem dan met het tweede woord zijn opdracht 'snij d'er'."

Tenslotte kwamen er bedienden die spreien op de aanligbedden legden, waarop jachtnetten waren geborduurd, en jagers met spiesen en ander jachtgerei. We wisten nog niet wat we daarvan denken moesten, toen buiten de eetzaal luid geschreeuw weerklonk en er zowaar jachthonden rond de tafels kwamen rennen.
Achter hen aan kwam een dienbak met een everzwijn van eerste grootte. Aan zijn slagtanden hingen twee mandjes van palmbladen, het ene gevuld met Syrische, het andere met Egyptische dadels. Er omheen lagen kleine biggetjes van deeg, die naar de uiers leken te happen, zodat iedereen kon zien dat het een zeug was. De kleintjes werden als presentjes uitgedeeld.
Voor het snijden trad niet Snijder aan, die het gevogelte had voorgesneden, maar een gebaarde reus met beenwindsels en een kleurige jachtmantel aan. Hij trok zijn jachtmes en stootte het in de flank van de ever; uit de opening vlogen lijsters te voorschijn. Vogelaars stonden klaar met lijmstokken, en in een oogwenk waren de in de eetzaal rondfladderende lijsters gevangen.
Toen ieder zijn eigen vogel had gekregen, sprak Trimalchio: 'Kijk nu eens wat voor mooie eikeltjes dat bosvarken gegeten heeft!'. Meteen traden slaven op de mandjes toe die aan de slagtanden hingen en verdeelden een gelijk aantal Syrische en Egyptische dadels onder de gasten.

We beseften niet dat we de berg der heerlijkheden nog maar halverwege beklommen hadden. Zodra de tafels onder muziekbegeleiding waren afgeruimd, werden er drie witte varkens, voorzien van muilkorven en belletjes, de eetkamer binnen gedreven. De ceremoniemeester verklaarde dat het ene twee jaar oud was, het tweede drie jaar en het derde zes jaar. Ik dacht dat er kunstenmakers waren binnengekomen en dat de varkens, zoals dat tussen 't straatpubliek wel gebeurt, kunstjes zouden gaan vertonen.
Maar Trimalchio maakte een eind aan deze verwachting door te vragen: 'Welk van deze varkens willen jullie straks opgediend krijgen? Een haan, kippenragout en dergelijke liflafjes kan de eerste de beste boerenpummel bereiden! Maar mijn koks zijn in staat om hele kalveren in de braadpan op tafel te brengen!' Meteen beval hij de opperkok te roepen en gebood hem, zonder op onze beslissing te wachten, het oudste varken te slachten. 'En zorg dat je dit beest keurig op tafel brengt, zo niet laat ik je voor straf overplaatsen naar de sectie loopjongens!' Aldus aan de almacht van zijn meester herinnerd ging de kok terug naar de keuken, achter onze volgende gang aan.
Na enige tijd kwam een dienblad met een enorm varken de hele tafel in beslag nemen. Wij bewonderden de snelle werkwijze van de kok en bezwoeren elkaar dat zelfs een haan niet sneller had kunnen gebraden worden. Bovendien leek het bereide varken nog veel groter dan het zwijn van zo-even. Trimalchio bekeek het dier steeds aandachtiger en zei: 'Wat zullen we nu hebben? Zijn de ingewanden er niet uitgehaald? Allemachtig nee! Roep direct de kok binnen!'
Toen de kok bedremmeld bij de tafel stond en zei dat hij vergeten had het beest van zijn ingewanden te ontdoen, riep Trimalchio uit: 'Vergeten? Hij doet of hij alleen maar vergeten heeft er peper en komijn in te doen! Trek zijn kleren uit!' Meteen werd de kok uitgekleed en stelde zich in tranen tussen twee folterslaven op.
Wij begonnen allemaal een goed woordje te doen voor hem en zeiden: 'Dat komt echt wel meer voor. Laat hem toch vrijuit gaan! Als het een tweede keer gebeurt, zullen we geen vergiffenis meer vragen!' Maar ik, in mijn onverbiddelijke strengheid, fluisterde in het oor van mijn tafelbuur: 'Dat moet waarachtig wel een prul van een slaaf zijn; hoe kan iemand nu vergeten een zwijn schoon te maken? Ik zou het hem niet eens vergeven als hij het bij een vis vergeten was!'
Maar Trimalchio's gelaat stond opnieuw op zonneschijn. Hij zei: 'Als je zo kort van memorie bent, haal de ingewanden er hier maar uit.' De kok kreeg zijn kleren terug, greep een mes en sneed de buik links en rechts voorzichtig open. Meteen stroomden uit de wonden, die zich onder druk van het gewicht openden, saucijzen en bloedworstjes naar buiten. Bij deze verrassing begonnen alle slaven in de handen te klappen. De kok ontving zijn deel in het eerbetoon met een dronk, verder een zilveren krans en een beker.

Toen volgden lekkernijen waarvan zelfs de herinnering (echt waar) mij met walging vervult. In plaats van de gebruikelijke lijsters werd ons, per persoon, een vetgemeste kip voorgeschoteld met gepocheerde ganzeneieren. Trimalchio drong het ons met alle geweld op en zei dat de kippen al ontbeend waren.

Na enige tijd beval Trimalchio de laatste gang op te dienen. De slaven haalden alle tafels weg en brachten andere; dan strooiden ze geel en rood gekleurd zaagsel op de grond en ook - wat ik nog nooit gezien had - verpulverd marmer. Meteen zei Trimalchio: 'Eigenlijk heb ik met deze gang mijn plicht al gedaan; maar als er nog iets lekkers is, laat het dan toch maar komen.'

Eindelijk werd het dessert opgediend, bestaande uit lijsters van deeg, gevuld met rozijnen en noten. Daarop volgden nog kweeperen, waarin doornen gestoken waren om ze op egels te laten gelijken. Deze dingen waren nog te verdragen, maar toen werd een schotel opgediend die zo overdreven was, dat we liever van honger hadden willen sterven dan daarvan te proeven. Er stond namelijk een gemeste gans op tafel, omringd door allerlei soorten vis en gevogelte.
Toen sprak Trimalchio: 'Vrienden, alles wat jullie hier op tafel zien staan, is van een en dezelfde grondstof gemaakt. Zowaar ik moge groeien in mijn kapitaal en niet in mijn vet, de kok heeft dat alles van varkensvlees gemaakt. Hij is werkelijk onbetaalbaar. Als je het wenst, maakt hij van een varkenspens een vis, van een stuk spek een duif, van een ham een tortel, van een schenkelstuk een kip. Ik heb hem dan ook een heel toepasselijke naam gegeven: Daedalus!'

Plotseling kwamen twee slaven binnen die bij de fontein ruzie schenen te hebben gemaakt; ze hadden hun kruik nog bij zich. Trimalchio sprak recht onder de twistende partijen, maar geen van beiden aanvaardde zijn oordeel. Integendeel, met hun stokken sloegen ze een gat in elkaars kruiken. Ontzet over de onbeschaamdheid van deze dronkelappen staarden we naar de vechtersbazen en zagen zowaar oesters en mosselen uit de buik van de kruiken vallen; ze werden door een andere slaaf verzameld en op een schotel rondgediend.
Onze geniale kok wilde bij deze schijnvolle vertoning niet achterblijven: hij bracht alikruiken op een zilveren braadrooster en joeg ons intussen met zijn beverig gezang de stuipen op het lijf.

Nog is de pret niet voorbij: op voorstel van de inmiddels stomdronken geworden Trimalchio moet iedereen mee een bad nemen, waarna opnieuw een cena van hetzelfde kaliber zal worden geserveerd... Dat is zelfs voor parasieten als Encolpius en Ascyltus te veel; ze muizen er van onder met Gytoon, nieuwe avonturen tegemoet!

Terug naar de inhoudsopgaaf