Terug naar de inhoudsopgaaf

HET DAGELIJKS LEVEN IN HET OUDE ROME

3. DAGELIJKSE BEZIGHEDEN, GEWOONTEN EN GEBRUIKEN IN ROME

D. SCHOOLGAAN

Schoolgaan begon in Rome, zoals bij ons, op een relatief jeugdige leeftijd, wanneer de kinderen ongeveer vijf à zes jaar oud waren. De rijken lieten hun kinderen thuis opvoeden door een privé-leraar die meestal een ontwikkelde slaaf was, speciaal voor dat doel aangekocht. De minder begoeden stuurden hun kinderen naar school.

Van die school moet je je vooral niet al te veel voorstellen. De lessen werden gegeven in nauwe, bedompte huurkamers en niet zelden in open lucht, in een of ander min of meer beschut hoekje van een porticus, bijvoorbeeld. De lesgever (de ludi magister) zat - als er al zitplaatsen waren! - op een stoel met een leuning, de kinderen zaten op banken. Lessenaars of tafels waren er zelden of nooit! De kinderen brachten hun lei en griffel mee; de rijken thuis werkten ook met pen en papyrusvel.

Uit vele bronnen (onder wie Horatius) blijkt dat de lesgevers nogal "losse handjes" hadden en dat lijfstraffen tot het gewone opvoedingspatroon op school behoorden. De lesgever voltrok zelfs lijfstraffen wegens vergrijpen die gepleegd werden op weg van en naar de school!

Het lager onderwijs leerde de kinderen eerst lezen en schrijven. Zodra de kinderen die vaardigheden onder de knie hadden, leerden ze rekenen (aanvankelijk met een telraam) en werden ze ingewijd in een soort steno (kortschrift). Vermoedelijk duurde het lager onderwijs in Rome zo'n vier jaar.

Na het lager onderwijs bij de ludi magister werd de opleiding van de kinderen overgenomen door de grammaticus. Ook hier werd - afhankelijk van de financiële situatie van de ouders - het onderricht ofwel thuis ofwel op school verstrekt.

Bij de grammaticus leerde men de Latijnse en Griekse taal en literatuur, vooral aan de hand van teksten van dichters. Op dit niveau kwam ook de algemene kennis flink aan bod: de grondbegrippen van de geschiedenis, de aardrijkskunde, de natuurkunde en de astronomie; allemaal kennisvelden die onmisbaar waren om de gelezen teksten goed en volledig te kunnen begrijpen.

Nadat de grammaticus de tekst had voorgelezen en verklaard had, moesten de leerlingen verschillende passussen ervan uit het hoofd leren en er vervolgens mondelinge of schriftelijke uiteenzettingen over geven. Het geheugen van de Romeinen was dan ook bijzonder sterk ontwikkeld; het memoriseren van vele duizenden verzen was voor hen absoluut geen onoverkomelijke opdracht en daarbij kwam nog dat ze vrij gemakkelijk uit deze uit het hoofd geleerde verzen konden citeren.

De meest frequent gelezen Griekse teksten waren die van Homeros (de Ilias en de Odyssee), de drie grote tragedieschrijvers Aischylos, Sophokles en Euripides en enkele belangrijke lyrische dichters, onder wie Pindaros. Bij de Latijnse auteurs werden Lucretius, Vergilius en Horatius zeer hoog aangeslagen.

Na de opleiding bij de grammaticus kenden de studenten - die nu al adolescenten van ongeveer zestien jaar geworden waren - perfect Latijn en Grieks, de twee talen die elke ontwikkelde persoon moest beheersen. De meeste Romeinen kenden dus zeer goed Grieks en in de laatste eeuwen van de Republiek was het zelfs zo dat, in sommige kringen, het Grieks als deftige omgangstaal werd gebruikt. Ook het vrouwelijk geslacht kon zich zeer goed in het Grieks uitdrukken!

Wie van huize uit voorbestemd was om een functie in het openbare leven op te nemen, bezocht na de jaren bij de grammaticus de lessen van de retor. Daar werden vooral prozaschrijvers bestudeerd en werd uitermate veel aandacht besteed aan de aartsmoeilijke kunst van het spreken.

De oefeningen waren zowel mondeling als schriftelijk. Tot de laatste categorie behoorden opstellen (in de ruimste zin van het woord): vertellingen, lofredes of smaadschriften op bekende figuren uit de geschiedenis, vergelijkingen maken tussen vroegere en hedendaagse situaties of personen, enz.

Mondelinge oefeningen waren de suasoriae en controversiae. Suasoriae waren monologen waarin bekende personages uit de mythologie of uit de geschiedenis het voor en het tegen afwogen van een beslissing op een belangrijk ogenblik in hun leven. De controversiae waren debatten tussen twee studenten die tegenovergestelde standpunten verdedigden. Die debatten leken eigenlijk meer op twee, naast elkaar uitgesproken monologen, want er was geen eigenlijk gesprek met venijnige vragen en radde antwoorden. Erg op de praktijk (advocatuur en politiek!) gericht was dit onderdeel van de opleiding bij de rhetor dus niet!

In de tijd van keizer Augustus - toen de politieke welsprekendheid stilaan verwaterde bij gebrek aan echt actieterrein - kwam het gebruik op van de openbare lezingen. Het was Asinius Pollio, de eerste beschermheer van Vergilius, die ermee begon. Deze recitationes raakten snel ingeburgerd en in de huizen van de rijken was er voortaan een ruimte voorbehouden voor voorlezingen: het auditorium. Keizer Claudius stelde zijn paleis ter beschikking voor recitationes en keizer Hadrianus liet er zelfs een speciaal gebouw voor optrekken: het Athenaeum.

Hoe verliep een recitatio? Men inviteerde een schare vrienden, trakteerde ze op een lekkere cena, en dan begon de gastheer of zijn (al dan niet) literair begaafde protégé aan voorlezing van of uit eigen werk. De oorspronkelijke bedoeling was dat het literaire werk eerst geëvalueerd en geëmendeerd werd door een groep eminente critici, alvorens het op grotere schaal verspreid werd. Op zich helemaal geen kwaad idee, dus!

Maar in de praktijk verwaterde die oorspronkelijke bedoeling heel snel. Collega-schrijvers applaudisseerden na de voorlezing extra luid om zich van een gelijke reactie te verzekeren op de dag dat ook zij, op hun beurt, uit hun werk zouden voorlezen. Cliënten - denkend aan de cena van morgen - klapten zich de handen blauw, schenen tot tranen toe bewogen door de onbeschrijflijke schoonheid van het voorgelezene. Dommeriken en andere cultuurbarbaren veinsden, door luid hun bijval te laten horen, toch te hebben begrepen wat er voorgelezen was en hoopten zich op die manier een culturele aura te verwerven.

Terug naar de inhoudsopgaaf