Terug naar de inhoudsopgaaf

HET DAGELIJKS LEVEN IN HET OUDE ROME

3. DAGELIJKSE BEZIGHEDEN, GEWOONTEN EN GEBRUIKEN IN ROME

E. SCHRIJFMATERIAAL EN BOEKWEZEN

a. Schrijfmateriaal

Laten we eerst duidelijk stellen dat de Romeinen schreven op van alles en nog wat. Ze schreven niet alleen op wastafeltjes, op papyrus en op perkament, maar ze schreven even vrolijk op muren, linnen doeken, zijde, loodplaatjes en lindeboombast. En wie meetkunde studeerde, tekende op een met zand bestrooid tafeltje...

Documenten die men ter kennis van het grote publiek wilde brengen, werden geschreven op houten borden die met krijt waren wit gemaakt. Vervolgens werden die borden opgehangen of uitgestald.

Als dergelijke mededelingen een meer permanent karakter hadden - en dan hebben we het over wetten, decreten, enz. - werden ze in brons gegrift of in steen gebeiteld. Aan deze teksten danken wij een enorm deel van onze historische kennis van de oudheid!

Een tweede voorafgaande opmerking. Het schrijfmateriaal uit de oudheid was niet alleen moeilijker om te beschrijven, maar het was ook oneindig veel duurder dan ons papier en veel schaarser. Daardoor komt het dat het dagelijks papierverbruik van onze tijd vele duizenden malen groter is dan het verbruik van schrijfmateriaal in de Romeinse tijd.
 

1. Papyrus

Papyrus is een in Egypte groeiende plant, die door een welbepaalde bewerking een papier-achtige substantie oplevert. Eerst worden de papyrussstengels van hun buitenste bast ontdaan en vervolgens "afgerold". Dan sneed men de aldus bewerkte stengels in lange, lintvormige stroken. Die stroken werden met de lange zijden naast elkaar gelegd. Daarna legde men er een tweede laag stroken overheen, maar nu liepen de stroken in de breedte. Het bekomen product was nog ruw en oneffen; daarom werd het glad gemaakt door de vellen "papier" onder een handpers te leggen of plat te kloppen met een hamer. Van de aldus bekomen papyrusvellen was slechts een kant goed beschrijfbaar; de achterkant werd ofwel niet beschreven, ofwel hoogstens als kladje gebruikt. Op de achterkant van papyri vinden we dan ook vaak rekeningen, huishoudelijke aantekeningen, boodschappenlijstjes, enz.

Van afzonderlijke papyrusvellen kon men ook een boek maken. Daartoe nam men een aantal (meestal twintig) vellen papyrus, die zijkant aan zijkant aan elkaar gekleefd werden, zodat ze samen een lange strook vellen vormden, die kon opgerold worden. Bij het schrijven of lezen rolde men die rol dan aan de rechterkant af, terwijl men hem aan de linkerkant oprolde.
 

2. Perkament

Perkament is schrijfmateriaal dat afkomstig is van geprepareerde dierenhuiden. Het gebruik van perkament is zeer oud: het stamt uit de jaren 197-159 voor Christus en de methode om - vooral schapenvel - zo soepel en glad te maken dat het vlot kon beschreven worden, werd ontwikkeld in Pergamon (vanwaar trouwens ook de naam "perkament" afgeleid is).

Perkament werd nooit echt veel gebruikt in Rome omwille van zijn zeer hoge prijs. Het werd hoofdzakelijk aangewend in de boekindustrie, waar vellen perkament samengebonden werden tot een boek, zoals wij dat thans nog kennen. Het gebruik om vellen perkament aan elkaar te kleven tot een rol raakte vlug in onbruik; dat systeem bleef wel in zwang voor papyrusvellen, omdat die te moeilijk tot katernen te verwerken waren.
 

3. Pen en inkt

De kleur van inkt was doorgaans zwart, vanwaar ook zijn Latijnse naam atramentum. Inkt werd vervaardigd op basis van roet van hars of pek, of op basis van wijnmoer, of op basis van sepiaverf. Daar werden gom-houdende substanties aan toegevoegd zodat men een zwarte, brijachtige smurrie verkreeg. Die brij moest dan verdund worden tot een vloeistof, die niet te dik mocht zijn (anders kon men niet vlot schrijven), en niet te dun mocht zijn (anders druppelde de inkt uit de pen).

De Romeinen gebruikten (bijvoorbeeld in hun amoureuze correspondentie met gehuwde vrouwen) ook "onzichtbare inkt" : ze schreven dan met verse melk, waarvan men nadien geen spoor meer zag. De bestemmelinge bestrooide dan zo'n brief met houtskoolpoeder, waardoor de letters zwart te voorschijn kwamen.

Sommige Romeinse inktsoorten hebben thans, na ongeveer tweeduizend jaar, niets van hun leesbaarheid ingeboet, maar andere inktsoorten konden dan weer uitgewist worden door er gewoon met een spons overheen te gaan. Keizer Caligula dwong ooit een prullendichter het papier, waarop hij zijn verzen geschreven had, af te likken tot er geen letter meer opstond!

Als pennen gebruikten de Romeinen een gepunte rietstengel of een gepunte slagpen van een vogel. Die waren aan de punt gekloven opdat de inkt geleidelijk op het papier zou terechtkomen en niet in vlekken. Als de punt te stomp werd om er nog leesbaar mee te kunnen schrijven, scherpte men de punt van de stengel of de slagpen met een mesje.
 

4. Wastafeltjes

Briefjes, korte mededelingen, aantekeningen, enz. werden op wastafeltjes geschreven. Een wastafeltje was een houten plankje, met licht opstaande randen, dat op het vlakke deel binnenin was zwartgemaakt en dan met was bestreken was.

Daarop schreef men met behulp van een stilus, een metalen pen met aan het ene uiteinde een punt om letters in de waslaag te tekenen (die letters verschenen dan zwart tegen de lichtere ondergrond van de was), en aan het andere uiteinde een soort platte spatel om de eventueel fout geschreven letters weer uit te wissen (door dus de was op die plaats weer glad te maken om er vervolgens de juiste letter of het juiste woord in te tekenen).

Meerdere wastafeltjes waren meestal samengevoegd tot een document. Daartoe bond men die wastafeltjes aan elkaar: in daarvoor voorziene gaatjes aan telkens dezelfde kant van de afzonderlijke wastafeltjes werd een linnen koordje gestoken, dat die wastafeltjes dus als het ware aan mekaar "vastnaaide". Indien men absolute geheimhouding van de inhoud van de wastafeltjes wenste - bijvoorbeeld in geval van testamenten of amoureuze correspondentie - dan kon men hetzelfde linnen koordje ook nog door gaatjes in de andere kant van de afzonderlijke wastafeltjes steken en het uiteinde ervan verzegelen.

Als meerdere wastafeltjes aan elkaar bevestigd waren, hadden de buitenste slechts aan een kant was (aan een kant tekst, dus), en wel aan de binnenzijde; de buitenzijde was gewoon hout. De binnenste wastafeltjes waren gereedgemaakt om aan twee kanten te kunnen worden beschreven.
 

b. Documenten

Alhoewel de productie van papyrus en perkament, qua hoeveelheid, in geen enkel opzicht kan vergeleken worden met de moderne papierproductie, werd er in Rome, sedert de laatste twee eeuwen van de Republiek, toch aardig wat afgeschreven!
 

1. Openbare documenten

De administratie van de staat verbruikte, alle verhoudingen in acht genomen, een enorme hoeveelheid papyrus om het centrale gezag vlot te kunnen uitoefenen. Er moest dus een vlotte verbinding zijn met alle magistraten in alle delen van het rijk, die op hun beurt dan weer in verbinding stonden met lagere ambtenaren in hun provincie. Over de wijze waarop deze documenten verstuurd werden, hebben we het al gehad.

Naast deze bestuurlijke documenten waren er ook een aantal kopieën in omloop van de door Caesar in het leven geroepen "krant", de Acta Diurna (dagelijkse gebeurtenissen). De Acta Diurna meldden aan de Romeinen welke punten er in de senaat behandeld waren, welke verordeningen de magistraten hadden uitgevaardigd, welke decreten er uitgingen van de keizer, enz. De Acta Diurna zelf werden bewaard in het Tabularium (het archief van de stad Rome), maar er waren altijd kopieën die uitgehangen werden of gewoon circuleerden; soms werden er zelfs kopieën naar de provincies gestuurd.

Van deze Acta Diurna mag je je niet te veel voorstellen: ze bevatten hoogstens de vette koppen van de moderne krantenartikels, geen eigenlijke artikels of commentaren. Die werden er - zoals dat ook vandaag gebeurt - mondeling bijgeleverd, opgesmukt en bijgekleurd, opgeblazen of geminimaliseerd. In heel wat brieven, die vanuit Rome naar mensen buiten de stad werden gestuurd, staan dan ook vaak heel gedetailleerde verslagen van en commentaren op de laatste politieke ontwikkelingen in de Eeuwige Stad.
 

2. Privé-documenten

Tot de privé-documenten behoorden uiteraard de hierboven al vermelde briefwisseling, maar ook boekhoudingen van de uitgaven voor het eigen gezin en van de inkomsten uit eigendommen en landgoederen die men bezat. Voor alle schrijfwerk deden de Romeinen natuurlijk een beroep op slaven: de librarii of schrijfslaven.
 

c. Boeken, uitgevers en bibliotheken

1. Boeken

Er werd reeds aangestipt hoe een boek er in de oudheid uitzag: een lange strook aan elkaar gekleefde papyrusvellen, die opgerold bewaard werd, en die men tijdens het lezen moest afrollen en weer oprollen. Het is niet moeilijk om ons een voorstelling te maken van de moeilijkheden die met het lezen of raadplegen van dergelijke rollen gepaard gingen. Niet alleen is oprollen en afrollen niet erg praktisch (als je een eind laat vallen, is het pas goed rollen geblazen!), maar er ging ook enorm veel tijd verloren met het opzoeken van een citaat, met het controleren van een verwijzing, met het vergelijken van twee versies van een feit, met het aanbrengen van een correctie of het toevoegen van een nota bij de tekst...

Daarom was de methode (die evenwel onbruikbaar bleek voor het te broze papyrus!) om perkament tot katernen te verwerken (om die katernen samen te naaien en tenslotte van een omslag te voorzien) een enorme verbetering in het boekwezen, maar het gebruik op massale schaal bleef uit door de hoge prijs die voor perkament moest worden betaald. Pas in de Middeleeuwen zouden deze codices van perkament de papyrusrollen volledig verdringen.

Een papyrusrol was weliswaar goedkoper, maar stond steeds bloot aan het gevaar van snelle vernietiging. Als een papyrusrol vochtig werd, beschimmelde hij en verbleekten de letters of liepen ze uit; de vellen konden dan ook rekken waardoor netjes oprollen onmogelijk werd. Het tweede grote gevaar dat de papyrusrol bedreigde, waren de motten. De "mot in de rol" was bij de Romeinen een even grote plaag als ratten en muizen in de middeleeuwse kloosterbibliotheken. Om de rollen daarvoor te behoeden moest men ze insmeren met cederolie, die goede bescherming bood tegen zowel motten als vocht. Wel kreeg aldus bewerkte papyrus een geelachtige glans. Een tweede manier om een (kostbare) boekrol te beschermen was dat men de bewuste rol in een perkamenten foedraal stak en (samen met andere rollen) in een goed sluitende kist bewaarde.
 

2. Uitgevers

Zoals reeds werd aangestipt in verband met de privé-documenten, hadden rijke Romeinen thuis schrijfslaven of librarii te hunner beschikking. Deze librarii maakten onder andere afschriften van boeken die men in de huisbibliotheek wenste te bezitten.

Een tweede manier om in het bezit te komen van een literair werk was er een kopie van bestellen bij een boekhandelaar-uitgever. Een boekhandelaar-uitgever beschikte over een atelier, waarin soms tientallen librarii aan het werk waren. Als een bepaald werk erg veel gevraagd werd, dan werd het aan alle librarii van het atelier terzelfder tijd gedicteerd, zodat de boekhandelaar-uitgever meteen over meerdere exemplaren beschikte. In dat geval kon men een kopie kopen bij een bezoek aan de boekenwinkel, maar dat was eerder uitzondering dan algemene regel. Meestal werkte een boekhandelaar op bestelling, dit wil zeggen dat hij een librarius pas liet beginnen aan een werk nadat hij er een bestelling voor gekregen had.

De klant had ook een flinke portie geduld nodig. Het kopiëren van een literair werk kon makkelijk weken in beslag nemen en als het een nogal omvangrijk werk betrof, kon de uitvoering van de bestelling soms maanden op zich laten wachten.

De ateliers van de boekhandelaren-uitgevers waren geconcentreerd in het Argiletum, een straatje dat naast de Curia van het Forum naar de Subura leidde. Daar huisden ook de schoenlappers en de sandalenmakers, want zij gebruikten, net zoals vaak de boekhandelaars, geprepareerde dierenhuiden als basisproduct.

Mensen met een literaire smaak moesten dus wel de verpestende geur van de leerlooierijen trotseren om kennis te nemen van de nieuwste edities, die uitgestald werden in de etalages van de boekenwinkels (tabernae librariae), of die aangekondigd werden op affiches op de zuilen van de omliggende gebouwen of op de deurstijlen van de boekenwinkels zelf.
 

3. Bibliotheken

Rome bezat, behalve veel en druk bezochte boekenwinkels, ook een groot aantal bibliotheken. Omstreeks 360 na Christus waren er liefst achtendertig! Aanvankelijk ging het om privé-verzamelingen die zich in privé-woningen van de rijken bevonden. Sommige families bezaten een bibliotheek in hun huis in Rome en een in hun villa buiten de stad. Zulke privé-bibliotheken konden honderden boekrollen tellen!

Vanaf het begin van de Keizertijd werden er grote openbare bibliotheken geopend naar hellenistisch voorbeeld. De eerste werd gesticht door Asinius Pollio in het Atrium Libertatis, de zetel van de censoren. Ze was prachtig ingericht en versierd met beelden van de belangrijkste auteurs.

De tweede in de rij werd geopend door keizer Augustus in een aanbouw van de tempel van Apollo op de Palatijn. Deze bibliotheek was bijzonder rijk en, zoals die van Asinius Pollio, prachtig versierd.

Van dan af groeide het aantal bibliotheken snel aan: keizer Augustus opende nog een kleine bibliotheek in de porticus van Octavia nabij de Tiber; Tiberius een in de Domus Tiberiana op de Palatijn; Vespasianus in een aanbouw van de Tempel van de Vrede; Trajanus opende de Bibiotheca Ulpia op zijn forum en wou dat deze de belangrijkste bibliotheek van Rome zou worden.

Terug naar de inhoudsopgaaf