Terug naar de inhoudsopgaaf

HET DAGELIJKS LEVEN IN HET OUDE ROME

3. DAGELIJKSE BEZIGHEDEN, GEWOONTEN EN GEBRUIKEN IN ROME

F. SLAVEN EN MEESTERS

a. Inleiding

Augustus is op een avond te eten gevraagd bij Vedius Pollio, een man die berucht is om zijn wreedheid tegenover zijn slaven. Pollio heeft een - op zijn zachtst gezegd - originele manier om slaven te straffen: bij het minste vergrijp wordt de schuldige slaaf in het vivarium van zijn huis gegooid. Dat vivarium is een waterreservoir in de tuin, waarin zeer vaak forellen worden gekweekt. Bij Vedius Pollio is het vivarium echter bewoond door murenen, vleesetende vissen. Als er een slaaf in het vivarium wordt geworpen, staat Pollio toe te kijken hoe zijn murenen de ongelukkige in een mum van tijd kaalvreten tot op het bot...

Tijdens de cena laat een van Vedius Pollio's slaven een bord van kostbaar vaatwerk vallen... Bijna onmerkbaar geeft Pollio een teken om de onhandige slaaf weg te voeren. Die werpt zich echter aan Augustus' voeten en vraagt hem om van de murenen gespaard te worden. Dat kan Augustus echter niet toestaan, want de Romeinse wet voorziet expliciet dat een dominus (een meester) het recht heeft zijn servi (zijn slaven) te straffen zoals het hem belieft.

Augustus is evenwel erg sluw: "per ongeluk" stoot hij een bord van hetzelfde vaatwerk van tafel, en begint zich tegenover Pollio uitvoerig te verontschuldigen voor zoveel onhandigheid van zijnentwege. Vedius Pollio, compleet verrast door het manoeuvre van Augustus, mompelt dat het niets is. Waarop Augustus zich tot de slaaf richt: "Je hoort het, je meester vindt het verlies van zo'n bord niet erg; hij zal je zeker niet zwaar straffen!". En dan zegt Augustus tot Vedius Pollio: "Vedius, wil je mij deze onhandige slaaf verkopen?". Vedius kan natuurlijk moeilijk anders dan het verzoek van de keizer inwilligen en zo heeft Augustus er een dankbare en trouwe slaaf bij gekregen.
 

b. Relatie tussen meesters en slaven

Waarom deze waar gebeurde anekdote? Enkel en alleen om aan te tonen dat wrede behandeling van slaven in de oudheid zo uitzonderlijk was, dat zowat elke meldenswaardige anekdote daaromtrent werd overgeleverd door de Latijnse schrijvers! Talloos zijn immers de zinspelingen op en de vermeldingen van een echt goede relatie tussen meesters en slaven. Vaak hebben slaven zich op een waarlijk heroïsche manier aanhankelijk betoond tegenover hun meester en sommigen hebben zelfs, om hun meester niet te verraden, onverschrokken de verschrikkelijkste martelingen en zelfs de dood getrotseerd!
 

c. Economisch belang van slaven

Slaven speelden een belangrijke rol bij alle volkeren van de oudheid. Het economisch systeem van deze volkeren zou, bij vrijlating van de slaven, als een kaartenhuisje in mekaar gestort zijn. Juist de efficiënte organisatie van de slavenarbeid was verantwoordelijk voor de welvaart van Rome!

Slavenarbeid vond zijn toepassing in industrieën zoals landbouw, leerlooierijen, steenbakkerijen en pottenbakkerijen, waar ze simpelweg de moderne machines vervingen. Maar ook het huishouden vergde meer dienstpersoneel dan in onze tijd; er was immers nog geen industriële revolutie geweest waarvan de toepassingen de huishoudelijke taken kon verlichten of vervangen! Bij de Romeinen werd veel weefsel thuis vervaardigd en hersteld; de was werd thuis gedaan; bij het baden werd een Romein bijgestaan door minstens twee slaven; het onderhouden en gebruiksklaar maken van olielampen en het schoonmaken van de door diezelfde lampen beslagen muren en plafonds vereisten uren en uren werk (dat wij, vanwege onze elektrische verlichting, niet hoeven te doen). Zelfs een arme Romein hield er een of twee slaven op na; geen slaaf bezitten was het uiterlijk kenmerk van de zwartste armoe!
 

d. Het lot van slaven

Het lot van de slaven in de Romeinse wereld kende naargelang de tijd verstreek een geleidelijke verbetering. Omstreeks 200 voor Christus stelde Cato de Oude afgeleefd vee, oud ijzer en zieke of oude slaven op een lijn: je kunt het toch niet meer gebruiken, het is overbodig, het staat maar in de weg, het vreet je de oren van je hoofd, dus weg ermee.

Hieruit afleiden dat slaven slecht behandeld werden, zou een grote fout zijn. Het lot van oude en zieke slaven moge dan niet erg rooskleurig zijn geweest, maar de behandeling van gezonde en niet onwerkwillige slaven is waarschijnlijk nooit echt slecht geweest - excipiendis exceptis, natuurlijk! Het zullen trouwens die uitzonderingen zijn (het is reeds gezegd) die geschiedenis maken!

Eerder dus dan lijfstraffen (zweepslagen, stokslagen) zijn het de beloningen geweest die slaven hebben aangezet tot (grotere) inspanningen. Slaven wisten immers maar al te goed dat ze, in ruil voor gewone of extra inspanningen, vaak een sommetje geld kregen - een kleine fooi, als het ware. Soms mochten slaven op de buiten een klein lapje grond bewerken van hun meester en de opbrengst daarvan mochten ze houden; als ze enkele stuks vee hadden, dan was ook de opbrengst daarvan (jonge dieren, melk, kaas en vlees) voor hen.

Dat geld spaarden slaven voor hun peculium, de som geld die hun meester had vastgesteld voor hun vrijlating. Die vrijlating werd geregeld bij de praetor in Rome; de meester bevestigde bij deze ambtenaar zijn wil de slaaf vrij te laten en bevestigde het verschuldigde peculium ontvangen te hebben, waarna de servus (slaaf) een libertus (vrijgelatene) werd. De kinderen van een libertus waren vrijgeboren, de kinderen van een servus waren zelf ook slaven.

Huwelijken tussen slaven bestonden niet: een slaaf was immers een voorwerp en een olielamp kan toch ook niet trouwen? De meester duldde wel dat twee slaven samenleefden en kinderen hadden, voor zover die relatie geen nadelige invloed had op het rendement van de slaven; daar zorgden de slaven natuurlijk wel voor! Als er kinderen geboren werden uit zo'n relatie, waren dat ook slaven, maar het gebeurde uiterst zelden dat zulke "gezinnen" gescheiden werden.
 

e. De levensvoorwaarden van slaven

Drie factoren beïnvloedden de levensvoorwaarden van de slaven: welk werk ze moesten doen; waar ze dat werk moesten doen; wie hun meester was. Er waren servi publici of staatsslaven en er waren slaven van gewone particulieren. De staatsslaven konden deel uitmaken van de staatsadministratie (tempeldienaars, schrijvers, bedienden, bibliothecarissen, die een zorgeloos bestaan kenden). Velen van hen "cumuleerden" door buiten hun diensturen voor eigen rekening te werken, vooral als voorlezers en schrijvers voor ongeletterden.

Men kon ook door een veroordeling gedegradeerd zijn tot staatsslaaf en dan werd men ingeschakeld bij openbare werken zoals gebouwen optrekken, heirbanen aanleggen of bruggen bouwen, of men moest roeien op de galeien van de vloot. Deze roeiers waren veruit het slechtst af: het gebeurde niet zelden dat ze, voor een zeeslag, aan hun plaats werden vastgeketend in het ruim van het schip, opdat ze maar al te goed zouden beseffen dat de eindoverwinning hun enige kans op redding was; als hun schip zonk, verzopen ze als ratten...

Het lot van een slaaf van een particulier werd grotendeels bepaald door de plaats waar hij belandde. Hij kon in de stad worden tewerkgesteld, in de familia urbana of hij belandde op de buiten, in de familia rustica. Die beide familiae samen konden makkelijk vele duizenden slaven tellen; dat was natuurlijk afhankelijk van de welstand van de dominus.

Een stadsslaaf kon voor alle mogelijke jobs in aanmerking komen, maar het spreekt vanzelf dat een slaaf werd aangekocht in functie van het werk waarvoor hij bestemd was. Dat werk kon onder meer zijn (en de lijst is niet exhaustief): kok, keukenhulp, stoker (in keuken of badhuis), wever, wasser van kleding, barbier, poetser, timmerman, onderhoudswerkman, enz. Een ontwikkelde slaaf kon ingezet worden als paedagogus, met het eerste onderricht van de kinderen van zijn meester en nadien met het begeleiden, van en naar school, als taken. Stoere, sterke slaven konden door hun meester verplicht worden een opleiding tot gladiator door te maken, om vervolgens in de arena ingezet te worden, of als lijfwacht te fungeren voor hun meester; zulke slaven kwamen ook in aanmerking als draagstoeldragers (ze werden dan wel "in stellen" verkocht: een even aantal even grote en kloeke slaven). Knappe, gracieuze jongens werden aangekocht om als wijnschenker te fungeren bij maaltijden. Nog enkele speciale beroepen waren: danseressen, architecten, kunstschilders en narren (slaven die uitsluitend werden aangekocht om hun afstotend lelijk uiterlijk).

De eigenschappen die de prijs van een slaaf bepaalden, waren in hoofdzaak intelligentie en vakmanschap; dan volgden schoonheid en eigenaardige eigenschappen zoals een imbeciel of brutaal gezicht, een dwergengestalte, enz. Over het algemeen kostte een goeie, bruikbare slaaf ongeveer twaalf maal meer dan een slaaf zonder specifieke eigenschappen.

Op het platteland, in de latifundia (uitgestrekte landerijen in het bezit van de zeer rijken), werd het werk uitsluitend door slaven verricht. Met honderden, soms met duizenden, werkten ze op een landgoed, onder een ijzeren discipline, die het schrikbeeld was van elke stadsslaaf. Aan hun hoofd stond een vilicus (een beheerder), vaak een ex-slaaf, die instond voor de goede gang van zaken van en op het bedrijf en alleen aan zijn dominus rekenschap verschuldigd was.
 

f. Bronnen van slavernij

Als voornaamste bronnen van slavernij golden oorlog en geboorte: zoals reeds gemeld werd, was het kind van slaaf. Enkele gegevens in verband met de oorlogen als bronnen van slavernij? Marius gooide, na zijn overwinning op de Kimbren en de Teutonen (einde tweede eeuw voor Christus), 150.000 slaven op de markt. Caesar liet tijdens en na zijn verovering van Gallië een miljoen slaven verkopen. De bekendste slavenmarkt van de oudheid, die van Dèlos, kon als het moest dagelijks 10.000 slaven "omzetten"... In Rome werden de pas aangevoerde slaven op een (soms draaibaar) podium uitgestald, met een witgekalkte voet om hen als "verse koopwaar" te laten herkennen. Aan hun hals droegen ze een kaartje waarop alle inlichtingen stonden die voor de koper van belang waren: nationaliteit, eigenschappen en aanleg, eventueel beroep en gebreken. De dure slaven werden te koop aangeboden in luxe-winkels nabij het Pantheon.

Minder belangrijk als bronnen van slavernij waren: de door piraten en rovers ontvoerde kinderen (door hen verder opgevoed om vervolgens verkocht te kunnen worden); kinderen die door hun eigen vader werden verkocht of die te vondeling waren gelegd; mensen die slaven waren geworden van hun schuldeisers omdat ze hun schulden niet konden betalen een uitvloeisel van de draconische wetten die het kredietwezen beschermden.
 

g. Slavenopstanden

Nog andere cijfers in verband met slaven worden geleverd door de twee bekendste slavenoorlogen. In Enna (op Sicilië) brak er in 135 voor Christus een slavenopstand uit op het landgoed van een man die 400 slaven als straf had laten brandmerken (een brandmerk had laten schroeien in de huid, wat meestal op het voorhoofd gebeurde, als zijnde een lichaamsdeel dat vaak meer zichtbaar is dan het achterwerk bijvoorbeeld). Na korte tijd controleerden de slaven gans Sicilië en het kostte de Romeinen drie veldtochten vooraleer de opstand in 132 kon gesmoord worden: 20.000 slaven werden aan het kruis genageld...

In 73 voor Christus brak Spartacus uit met 70 gezellen uit de ludus (de gladiatorenschool) van Capua; na korte tijd stond hij aan het hoofd van 70.000 slaven, die behalve hun leven niets meer te verliezen hadden en dus met oprechte doodsverachting vochten. Spartacus versloeg de eerste legers die Rome tegen hem uitzond. Uiteindelijk werd hij in 71 verslagen door Crassus en Pompeius, die daarvoor liefst acht legioenen nodig hadden. Er werden 6.000 overlevenden gekruisigd...

Op het einde van de Republiek bedroeg de verhouding slaven-vrijen minstens een tegen een en in de Keizertijd evolueerde dat zelfs naar drie tegen een!
 

h. Evolutie van het lot van de slaven

In diezelfde Keizertijd verbeterde de rechtspositie van de slaven gevoelig. Oorspronkelijk had de meester recht op leven en dood zelfs de dood door kruisiging! ten opzichte van zijn slaaf, maar keizer Hadrianus (118-137) verbood om nog langer slaven ter dood te laten brengen zonder de tussenkomst van een rechtbank. Aan de afschaffing van de slavernij dacht echter niemand, omdat dat zoals reeds werd aangestipt economisch niet haalbaar was. Ook al werd de behandeling van de slaven steeds beter onder invloed van stoïcijnen en christenen, toch bleven ze verstoken van wat ons zo dierbaar is: onze persoonlijke vrijheid.

Terug naar de inhoudsopgaaf