Terug naar de inhoudsopgaaf

HET DAGELIJKS LEVEN IN HET OUDE ROME

3. DAGELIJKSE BEZIGHEDEN, GEWOONTEN EN GEBRUIKEN IN ROME

G. TOILET EN OPSMUK

a. Kledij voor mannen

1. Tunica en ondergoed

De tunica was een wollen kleed dat bestond uit twee aan elkaar genaaide panden. Het reikte ongeveer tot op de knieën en werd met een gordel om het middel vastgehouden. Bij het werken werd de tunica soms wat opgetrokken door hem een eindje boven de gordel te trekken en hem daarover dubbel te laten hangen: zodoende kregen de benen grotere bewegingsvrijheid.

Ridders droegen een tunica die afgezoomd was met een smalle purperen band of clavus angustus, senatoren droegen een tunica met brede purperen band of clavus latus.

Onder de tunica droeg men een soort slip (waarvan we echter bij benadering niet weten hoe ze eruit zag) die subligar of campestre genoemd werd. Deze laatste naam is afgeleid van Campus Martius, het Marsveld; bij het oefenen daar droeg men slechts die slip.

2. Toga

De toga was gemaakt van een meters lang stuk zware, witte, wollen stof, dat vermoedelijk ellipsvormig was. Het draperen van de toga rond het lichaam was een ingewikkelde bedoening; meestal werd de drager van de toga hierbij geholpen door minstens een slaaf. Het resultaat was evenwel elegant en indrukwekkend; daarvan getuigen de talloze beelden van toga-dragende Romeinen in de musea overal ter wereld.

Ridders droegen een toga met een smalle purperen band (clavus angustus), senatoren droegen de hunne met een brede purperen band (clavus latus). De kleurstof waarmee purper aangebracht werd, was afkomstig van purperslakken en was enorm duur; het dragen van purper was dan ook een voorrecht van de zeer rijken. In geval van rouw droeg men een donkere toga (toga sordida). Wanneer men kandidaat was bij verkiezingen, liet men zijn toga in krijtwater wassen, waardoor hij helder wit (toga candida) werd (uit het woord candidus ontstond trouwens ons Nederlands woord 'kandidaat').

3. Mantels

Juist omdat de toga geen eenvoudige of echt praktische dracht was, werd hij vanaf het begin van de Keizertijd (het begin van onze jaartelling, dus) meer en meer vervangen door een mantel.

De lacerna was oorspronkelijk een soldatenmantel die ook bij burgers furore maakte. Hij werd vastgemaakt met een gesp of een fibula (sluitspeld). De paenula was een cape met een ronde opening in het midden, waar men het hoofd doorheen stak; vaak was hij voorzien van een kap. Zware mantels met een kap heetten cucullus. Als zo'n mantel tot op de voeten afhing, heette hij caracalla; keizer Marcus Aurelius Antoninus had aan zo'n mantel zijn bijnaam te danken. Een endromis, eveneens een lange mantel, werd gebruikt om zich tegen hevige regen te beschermen of om zich na zware inspanningen te behoeden voor te plotse afkoeling.

b. Kledij voor vrouwen

1. Tunica en ondergoed

Op het blote lichaam droegen Romeinse vrouwen een bustehouder (de fascia pectoralis of mamillare) en een slip (subligar). Daarboven droegen ze een hemd (tunica) dat langer was dan dat van mannen en nauwer aansloot.
 

2. Stola

De stola was een lang gewaad dat boven de tunica gedragen werd en tot op de voeten afhing, en om het middel met een gordel werd vastgehouden. Ook dit kledingstuk kan vaak op beelden in musea bewonderd worden.
 

3. Mantels

De bovenkleding van de vrouwen was een palla, een ruime mantel die vaak rijk geborduurd was.
 

c. Schoeisel voor mannen en vrouwen

Wat schoeisel betreft, bestond er geen onderscheid tussen man en vrouw: beiden droegen dezelfde soorten schoeisel. Bij toga en stola pasten de calcei. Dit waren lederen schoenen die de hele voet bedekten en soms tot aan de kuiten reikten. De tong ervan werd versierd met een halve maan uit ivoor of zilver. De calcei werden met vier riempjes om het been bevestigd. De calcei van de vrouwen waren af en toe versierd met parels of andere snuisterijen.

Binnenshuis droeg men sandalen (soleae, sandalia), die vastgehouden werden met leren riempjes die men tussen de tenen doorhaalde. Het werd als onwelvoeglijk beschouwd in het openbaar te verschijnen op sandalen i.p. v. op calcei. Anderzijds was het even onbetamelijk om, wanneer men ergens uitgenodigd was, daar de hele tijd calcei te dragen. Daarom stuurde men een slaaf vooruit om de sandalen al te brengen naar de plaats waar men uitgenodigd was. Een arme Romein die ergens uitgenodigd was, kon je herkennen aan het feit dat hij zijn sandalen zelf onder de arm moest meenemen.

Armere mensen droegen ruwer schoeisel dan het hierboven beschrevene: de pero, een schoen van ongelooid leder. Soldaten droegen caligae, sandalen met een versterkte zool. Slaven en landbouwers droegen sculponea, een soort klompen met een houten zool.
 

d. Hoofdbedekking

Meestal gingen de Romeinen blootshoofds. Als het regende, konden ze een kap opzetten. Als ze lang aan de zon zouden worden blootgesteld, konden ze een hoed met een brede rand dragen. Bij de Saturnaliën (het Romeinse karnaval) droeg iedereen een muts. Zo'n muts werd ook bij de slaven opgezet op het ogenblik van hun vrijlating.
 

e. Sieraden

Mannen droegen slechts een ring: hun zegelring. Pas in de Keizertijd begonnen ze meer dan een ring te dragen. Deze bijkomende ringen waren vaak zeer kostbaar door de erin verwerkte edelstenen.

Vrouwen droegen natuurlijk ook ringen, die liefst fijner en eleganter afgewerkt waren dan die van de mannen. Verder pronkten ze graag met prachtige sierspelden, haarspelden, haarbanden, oorbellen, armbanden, halssnoeren, halskettinkjes en enkelbandjes. Romeinse vrouwen hebben er vaak uitgezien als wandelende etalages van juwelierszaken. Zo weten we bijvoorbeeld uit Plinius de Oude dat Lollia Paulina, een van de echtgenotes van keizer Caligula, eens juwelen droeg ter waarde van veertien miljoen sestertiën... Dat is een waarde, in onze tijd, van net iets meer dan duizend kilo goud (1008, om precies te zijn: een sestertius bevat 0,072 gram goud)...
 

f. Baard en haren

In de vroegste tijden droegen de Romeinen snor en baard. Pas in de tweede eeuw voor Christus komt de gewoonte op om de haren te knippen en de baard te scheren. Van dan af was het gebruikelijk een slaaf te bezitten die barbier (tonsor) was.

De jonge Romein spaarde aan zijn eerste baard tot deze zijn wangen en zijn kin bedekte. Dan werd hij afgeschoren en aan de beschermgoden van het huis geofferd: de gelegenheid om een groot feest te bouwen! Na dit heuglijke feit kweekte men een klein baardje dat met zorg gekoesterd werd tot, rond de veertig, de eerste grijze haren verschenen. In een eerste fase ging men die te lijf met een pincet maar als ze te talrijk werden, schoor men de baard volledig af. Omdat keizer Hadrianus een klein gebrek had aan zijn gelaat, liet hij van in zijn jeugd zijn baard groeien en meteen werd dat de nieuwe mode: tot aan het bewind van keizer Constantijn (307-337) schoren de Romeinen hun baard niet meer af. Constantijn verkoos dan weer glad geschoren te zijn en daarom keerde men terug tot de situatie van vóór Hadrianus.

Wie in de rouw was of in een proces verwikkeld was, werd verondersteld er vuil en slordig uit te zien: verwilderde haren, borstelige baard en vuile kleren (toga pulla of sordida)... De haren werden alleen lang gedragen door vrije jongemannen en luxe-slaven; slaven voor hard labeur werden kaal geschoren. Vrije volwassenen lieten hun haren meestal kort knippen en zelfs millimeteren. Fatjes lieten zich met friseertangen krulletjes leggen...

Bij vrouwen is het nooit de mode geweest om het haar kort te dragen. Jonge meisjes kamden het haar naar achter, waar het samengehouden werd door een wrong in de nek; het kon ook gevlochten worden, waarna de vlechten op het hoofd in een knoetje verwerkt werden. Van gehuwde vrouwen hing het kapsel af van de heersende mode of persoonlijke smaak. In de tijd van de Flaviërs (69-96) kwam de mode van de hoge kapsels in zwang, waarbij het haar in een halve cirkel werd opgemaakt en in talloze kleine krulletjes naar beneden viel. In zo'n kapsel werd ook vals haar verwerkt. Pruiken, haar verven en pommades waren zowel bij mannen als vrouwen in gebruik. Bij vrouwen was vooral blond haar gegeerd dat in grote hoeveelheden uit Germanië werd ingevoerd (tegen ongehoord hoge prijzen).

Terug naar de inhoudsopgaaf