Terug naar de inhoudsopgaaf

HET DAGELIJKS LEVEN IN HET OUDE ROME

3. DAGELIJKSE BEZIGHEDEN, GEWOONTEN EN GEBRUIKEN IN ROME

H. MAGIE, BIJGELOOF, VERVLOEKINGEN EN VERWENSINGEN

a. Magie

De termen waarmee magie (en alles wat ermee te maken heeft) in het Latijn worden aangeduid, zijn talrijk: magus = magiër; magia = magie; ars magica = vaardigheid om magie te bedrijven; herba magica = kruid met magische kracht. Het woord magus komt onder Tiberius (14-37) in de wetgeving terecht en onder keizer Trajanus wordt deze term specifiek gebruikt voor iemand die magie bedrijft voor misdadige doeleinden.

Andere vaak voorkomende termen zijn: Chaldaeus = astroloog of droomuitlegger; maleficus = bezweerder; veneficus = gifmenger; striga of saga = heks. Deze sagae waren niet te onderschatten. In een grafinscriptie, gevonden op de Esquilijn, herinnert de kleine Jucundus ons eraan dat hij gestorven is door de praktijken van een saga en hij vraagt alle ouders die zijn grafinscriptie lezen, goed op hun kinderen te letten. Zo vertelt ook de schrijver Apuleius dat sagae de macht bezaten om hun slachtoffers te veranderen in dieren, of ze over een grote afstand te verplaatsen, of ze te doden, om dan gebruik te maken van hun bloed, hun haar of hun nagels, erg belangrijke ingrediënten bij toverbereidingen.

De twee bekendste tovenaressen uit de mythologie zijn Kirkè en Medea. Het loont echt de moeite om in een goed boek over mythologie eens te lezen wat Kirkè en Medea zoal hebben uitgespookt, de eerste in verband met Odysseus, de tweede in verband met Jasoon!
 

b. Bijgeloof

De Romeinen waren ongelooflijk bijgelovig. Ze letten op tientallen dingen of voorvalletjes die hun zo dachten ze toch door de goden werden voorgehouden als waarschuwing tegen nakend onheil.

Als je over de drempel struikelde bij het verlaten van het huis in de morgen, kon je maar beter thuis blijven die dag. Als je tijdens de maaltijd over brand sprak, moest je snel wat water over de tafel sprenkelen om alle brandgevaar te weren. Als je tijdens het eten een haan hoorde kraaien, moest je snel de passende bezwering uitspreken of die dag niet meer eten. Als je een nachtmerrie had, zou de volgende dag ongetwijfeld zorgen baren; een advocaat vroeg dan beter de verdaging aan voor de zaak waaraan hij bezig was.

Andere bovennatuurlijke waarschuwingen waren: gekras van een kraai of een uil horen; een onaangename ontmoeting hebben; een omgevallen oliekruik zien; een zwarte hond een huis zien binnenlopen; een slang van een dak in de tuin zien vallen; een dakbalk zien splijten; wijn of water morsen; een muilezel ontmoeten die beladen is met hipposelinon (een kruid dat diende om graven te versieren); een muis die een gaatje had geknaagd in een meelzak; enz.

Het boze oog, een vloek die op iemand werd geworpen, kon je best afweren door de middenvinger (digitus infamis) uit te steken of door amuletten of talismans te dragen, van allerlei vorm en uit de meest uiteenlopende materialen vervaardigd (metaal, halfedelsteen, koraal, bergkristal). Om kinderen te beschermen hing men hen een gouden plaatje (een bulla) om de hals.

Om de kans op succes van een huwelijk niet te compromitteren werden bepaalde dagen zorvuldig vermeden. Bij elke bliksemschicht moest je beginnen fluiten. Een slaaf mocht de vloer niet vegen als er een gast van tafel opstond. Een slaaf mocht het diensttafeltje niet afruimen terwijl de gast dronk. Liet je een brok eten vallen, dan moest het onmiddellijk van de grond opgeraapt worden en teruggegeven worden, en moest je dezelfde brok, zonder afkuisen, opeten (vermoedelijk was je nadien wat voorzichtiger...). Als een gast plots niesde op het moment dat hem een dienblad werd voorgehouden, dan moest men zo snel mogelijk beginnen eten. Vrouwen knipten zich alleen de vingernagels als er markt was in Rome; ze moesten dan met de wijsvinger beginnen en mochten tijdens de hele operatie geen woord spreken. Op zee was het ten strengste verboden haar of nagels te knippen.
 

c. Vervloekingen en verwensingen

Een vervloeking was een handeling waarbij men de vijand aan de goden van de onderwereld wijdde. Dat kon gebeuren na een tegenvallend vonnis in een rechtszaak, bij familieveten en bij naijver tussen concurrenten, zowel op het beroepsvlak als in de liefde.

Een inscriptie vertelt ons dat ooit een heel gezelschap vervloekt werd door iemand die ze uit zijn huis hadden geroepen, waarna ze hem hadden vastgebonden en afgeranseld. Een andere inscriptie meldt ons dat een vrouw een lasteraar vervloekte, die haar ervan beschuldigde haar echtgenoot vergiftigd te hebben. Nog een andere deelt mee dat iemand een trouweloze bewaarder (die een in-bewaring-geving ontkend had en het deposito ten eigen bate verkocht had) had vervloekt. Maar ook voor mindere vergrijpen greep men naar het wapen der vervloeking: het stelen van een mantel (of een ander kledingstuk), het ontvreemden van sieraden, etc.

Hoe ging een defixio (vervloeking) in haar werk? Bij voorkeur in een loden plaatje (goud, zilver, brons, marmer of terracotta zijn zeldzaam) werd de naam van de gehate persoon gekrast waar men een vervloekingsformule aan toevoegde die de vervloekte aan helse machten wijdde. Dat loden plaatje werd dan in een graf gestoken, in een tempel gelegd of in een put of een warme bron gegooid. Ook kon het plaatje met een lange spijker (die er dwars doorheen werd geslagen) worden vastgemaakt. Op zo'n spijker stonden vaak magische tekens afgebeeld. Zeer veel plaatjes zijn meermaals doorboord.

De naam van de vervloekte werd pijnlijk nauwkeurig gespeld, uit vrees dat in geval van fouten de vervloeking aan kracht zou inboeten of gewoon niet zou doorgaan. Daarom liet men, om vergissingen te voorkomen, de naam van de vervloekte nog volgen door die van zijn moeder (mater certa, pater incertus = de moeder is zeker, de vader nooit) en dus zelden door die van zijn vader. De tekst van zo'n vervloeking werd vaak voorafgegaan of onderbroken door magische tekens, en soms staat er een schets of een tekening op. Om efficiënter te zijn, werd de tekst soms onderbroken door magische woorden als aruras, frix, frox, abrasax, bescu, berebescu, arurara, bazagra, arurelyoth, enz.

Om een idee te geven van de toon van die vervloekingen, volgen er twee voorbeelden. Het eerste is gericht tegen een venator, een professioneel jager, in het amfitheater van Carthago.

"Dood Gallicus, zoon van Prima, ruim hem uit de weg, rijt hem aan flarden, nu, voor de ogen van alle toeschouwers. Ik wou dat zijn voeten verstrikt raakten en zijn lichaam ook, ik wou dat hij verdwaasd en verblind werd zodat hij beer noch stier kan doden, noch met het enkele, noch met het dubbele, noch met het driedubbele net. Doe het, in naam van de almachtige levende god, nu, nu, snel, snel. Ik wou dat de beer hem klauwde en gekapt van hem maakte."

Een tweede vervloeking is gericht tegen een vrouw:

"Drijf gloeiende koortsen in heel haar lichaam. Dood haar, helse geesten, dood haar naar ziel en lichaam. Vernietig haar, breek al haar beenderen in stukken. Wurg haar, arurelyoth. Verscheur en vertrap haar lichaam, frix frox."

Terug naar de inhoudsopgaaf