Terug naar de inhoudsopgaaf

HET DAGELIJKS LEVEN IN HET OUDE ROME

3. DAGELIJKSE BEZIGHEDEN, GEWOONTEN EN GEBRUIKEN IN ROME

I. REIZEN

a. Inleiding

Het totaal ontbreken van snelle verkeersmiddelen (zoals wij die nu kennen) belette de Romeinen niet om verre reizen te ondernemen. Zo kon men op reis gaan om in een andere stad of zelfs in een ander land (of provincia) te gaan studeren, om zich naar bestuurscentra (provinciehoofdplaatsen) te begeven, om militaire redenen, om handel te drijven, om aan toerisme te doen, enz.

Als het enigszins mogelijk was, reisde men over zee omdat die manier van reizen meer comfort bood. Maar reizen over land was niet echt een onoverkomelijk probleem omdat het Romeinse rijk beschikte over een verbazingwekkende wegeninfrastructuur.
 

b. Het Romeinse wegennet

Het hele Romeinse rijk telde 372 grote wegen (viae) in de tijd van keizer Diocletianus (284-305), met een totale lengte van ongeveer 80.000 km. Deze gigantische infrastructuur stond borg voor een snel transport van troepen, voor snelle berichtgeving doorheen het hele rijk, voor goede handelsverbindingen, enz. De wegen waren voor iedereen toegankelijk en er moest geen tol betaald worden.

Oorspronkelijk waren de Romeinen begonnen met de aanleg van de wegen om gemakkelijker een nieuwe landstreek te kunnen veroveren, of om een nieuwe verovering te organiseren en te controleren, of om de verbinding van een nieuw "ontgonnen" landstreek met Rome te vergemakkelijken.

Het valt natuurlijk buiten het bestek van dit werk, maar we moeten er hier volledigheidshalve aan toevoegen dat die wegen steeds gebruik maakten van de door de natuur geboden "buitenkansjes" (zoals zachte hellingen) en dat ze zo recht mogelijk liepen als ze een vlakte doorkruisten. Als de natuur echter problemen creëerde, dan gingen de Romeinen die niet uit de weg. Dan bouwden ze bruggen (bv. de ponte del Pondel, in Val d'Aosta, 50 m lang, 55 m hoog, met een boog van 14,27 m). Of dan hakten ze tunnels door de bergen (bv. de galleria del Furlo, uit de 3de eeuw voor Christus, in de Marche, 8 m lang, 3,3 m breed, 4,45 m hoog; in 76-77 liet Vespasianus een tweede tunnel hakken naast de eerste: 38,3 m lang, 5,47 m breed, 6 m hoog). Langs de wegen stonden ook mijlpalen die de reizigers telkens lieten weten hoeveel afstand er al was afgelegd en hoeveel er nog af te leggen viel.

De belangrijkste Romeinse viae volgden de belangrijkste handelsroutes van het schiereiland (en later van het hele Romeinse rijk). Ze werden aangelegd door legioensoldaten en/of contingenten slaven; de hoofdbedoeling was de verplaatsing van de troepen te vergemakkelijken. Langs de viae werden ook kolonies gesticht, zodat hun belang behalve militair en strategisch ook economisch was; ze droegen natuurlijk ook in aanzienlijke mate bij tot de romanisering van Italië en de rest van het rijk.

De naam van de viae (zie een niet-exhaustieve alfabetische lijst hieronder) verwijst meestal naar de magistraat die de opdracht had gegeven tot de aanleg.

1. Via Aemilia

De Via Aemilia werd aangelegd op bevel van consul M. Aemilius Lepidus (187 voor Christus). Hij liep van Rimini aan de Adriatische kust tot Piacenza en Milaan (± 264 km). Deze weg droeg veel bij tot de romanisering van Noord-Italië.
Hij werd onder het bewind van Augustus en Trajanus grondig hersteld.
In 109 voor Christus legde censor M. Aemilius Scaurus een tweede Via Aemilia aan van de kust ter hoogte van Volterra (Vada Volaterrana), waarbij hij de Via Aurelia verlengde, over Genua naar Savona en verder via Marseille naar Arles.

2. Via Appia: de regina viarum

De Via Appia is de belangrijkste en oudste heirbaan die Rome verbond met Capua; hij werd aangelegd in 312 op bevel van censor Appius Claudius Caecus toen Rome in oorlog was met de Samnieten. In 244 werd de Via Appia verlengd via Benevento, Venosa en Taranto tot Brindisi. De lengte bedroeg ± 558 km.

3. Via Aurelia

De Via Aurelia is een belangrijke militaire en economische heirbaan die in 241 voor Christus werd aangelegd door Caius Aurelius Cotta. Hij liep van Rome naar het noorden via de Tyrrheense kust tot Vada Volaterrana. De Via Aurelia werd in 109 voor Christus verlengd door de Via Aemilia Scauri tot in Arles.

4. Via Cassia

De Via Cassia vertrok van Rome naar het noorden doorheen Etrurië langs het meer van Bolsena. Bij Chiusi splitste de Via Cassia; de oostelijke tak bereikte via het Trasumeense meer en Arezzo Firenze. De westelijke tak liep via Pistoia en Lucca uit op de Via Aemilia Scauri ten noorden van Pisa.

5. Via Domitia

De Via Domitia liep van Arles (de monding van de Rhône) naar Spanje; hij werd aangelegd door M. Domitius Ahenobarbus, de latere veroveraar van Gallia Narbonensis.

6. Via Domitiana

De Via Domitiana kwam in de Keizertijd tot stand; hij verbond de haven van Pozzuoli met de Via Appia via Cumae en Volturno in het noorden en liep naar het zuiden via Napels tot in Vibo Valentia.

7. Via Flaminia

De Via Flaminia werd in 220 voor Christus gebouwd door censor C. Flaminius. Deze heirbaan was ± 315 km lang en liep van Rome door Umbrië naar Rimini.

8. Via Latina

De Via Latina was, na de Via Salaria maar vóór de Via Appia, de oudste heirbaan van de Romeinen; waarschijnlijk dateert ze uit de eerste eeuwen van de Republiek. In 334 voor Christus was hij al afgewerkt tot aan Cales (ten noorden van Capua). Omdat de Via Appia doorheen de ongezonde Pontijnse moerassen liep, werd de Via Latina 's zomers heel druk gebruikt als alternatief tot in Capua.

9. Via Salaria

De Via Salaria (de zoutweg) was de oudste handelsweg vanuit Rome. Hij liep vanuit Rome tot in Ancona.
 

c. Het reizen zelf

Reizen was in de oudheid geen bezigheid zonder risico; vandaar de vele heiligdommen (kapelletjes) die de oude heirbanen afzoomden. Ze nodigden de reiziger als het ware uit zich onder de bescherming te plaatsen van de goden die speciaal voor reizigers en handelaars zorgden (Mercurius/Hermès, Hercules/Hèraklès en de Dioskoeren Castor en Pollux) en onder de algemene bescherming van de Lares Viales, de beschermgoden van de weg zelf.

De Romeinse gewoonte om de doden buiten de stad te begraven en liefst naast grote wegen bracht met zich mee dat de wegen nabij steden afgeboord waren met graven, zowel massieve en prachtig versierde als kleine en eenvoudige. De inscripties van deze graven nodigden de reiziger vaak uit om eens na te denken over de broosheid van het menselijk bestaan...

Romeinse wegen waren dikwijls "bekroond" met een triomfboog, hetzij aan hun begin, hetzij aan hun eindpunt. Zo herinnert de boog van Augustus (27 voor 14-na Christus) in Rimini (Ariminium) ons eraan dat Augustus bevolen had de Via Flaminia (Rome-Rimini) te herstellen, net zoals trouwens het volledige wegennet in Italië. In Brindisi (Brundisium) werd de voortzetting van de Via Appia besloten met de boog van Trajanus (98-117). En in Santa Maria Capua Vetere (Capua) werd het eerste stuk van de Via Appia afgerond met een boog van Hadrianus (117-138).

Zeer nuttig waren ongetwijfeld de stationes, de pleisterplaatsen naast de wegen, waar de staatsdiensten bv. frisse paarden konden vinden. Naast die stationes kwamen dan etablissementen waar men kon uitrusten, eten, drinken of overnachten. Deze kleine gemeenschappen groeiden vaak uit tot kleine woonkernen en later tot stadjes. Dat gebeurde dan meestal daar waar er veel ruilverkeer bestond: de plaatselijke bevolking bracht er dingen aan de man en de voorbijtrekkende handelaars verkochten er van hun voorraad. Zo'n plaats heette Forum, en soms leeft die naam nog voort in de naam van steden: Forum Iulii werd Fréjus, Forum Popilii werd Forlimpopoli...

De privé-etablissementen naast de stationes werden met uiteenlopende namen aangeduid: taberna, caupona, deversorium, hospitium of stabulum. In een taberna of caupona kon je eten en drinken. In een deversorium of hospitium kon je overnachten. In een stabulum kon ook je rijdier onderdak vinden. In de praktijk zal het wel moeilijk zijn geweest een juiste scheidingslijn te trekken tussen deze verschillende "gelegenheden"...

Meestal waren deze afspanningen gebouwd door de eigenaars van de terreinen (latifundia) die naast de weg lagen, ten behoeve van de reizigers. Deze rijken hielden zich natuurlijk niet bezig met de uitbating ervan; die zorg lieten ze over aan hun liberti (vrijgelatenen) of eventueel hun slaven.

Het zal wel niet vaak zijn voorgekomen dat de kwaliteit van deze afspanningen conform was met wat de uithangborden aanprezen. In de praktijk waren zulke etablissementen bestemd voor arme reizigers, die er onderdak vonden in kleine, bedompte kamertjes (die ze met vier of meer moesten delen) die vochtig en vuil waren, waarvan de bedden waarschijnlijk niet alleen de gasten, maar ook horden insekten herbergden. Hier vonden muilezeldrijvers, voermannen, avonturiers van alle slag, beroepsgokkers, donkaards en vrouwen van lichte zeden onderdak. De uitbaters werden doorgaans beschouwd als volmaakte toonbeelden van gierigheid en inhaligheid, van bedrog en misleiding; hun vrouwen gingen door voor tovenaressen en waarzegsters...

Het is dus niet moeilijk om begrijpen dat mensen met geld en zelfrespect dergelijke etablissementen vermeden en andere oplossingen verkozen. Die oplossing kon zijn dat ze (als ze heel rijk waren) op weg naar hun buitenverblijven kleine huizen bezaten, waar ze dan voor een nacht verbleven. Ook kon men de af te leggen afstand een beetje inkorten of verlengen om in een stad te overnachten, waar de hospitia van betere kwaliteit waren. Men kon ook overnachten in villa's van vrienden, daarbij rekenend op wederzijdse gastvrijheid, zoals dat in de oudheid gebruikelijk was. Men kon tenslotte ook op reis gaan met een tent en voedsel, vergezeld van een slaaf om de klusjes op te knappen.

Ondanks al deze ongemakken werden de Romeinse wegen druk bereisd. Ze werden gebruikt door soldaten en handelaars, vervoerders van landbouwproducten, bouwmaterialen en ambachtelijke producten, staatsbeambten en ondernemers van openbare werken, studenten en pelgrims, toeristen en charlatans, toneelgroepen en gladiatorenfamilies, boeren en seizoenarbeiders en door ontheemden en avonturiers.

Op deze wegen reisde men niet vaak te voet. De meest voorkomende transportmiddelen waren paarden, muilezels of ezels. Wie een wagen gebruikte, kon reizen met een tweewielige (die sneller was maar minder comfort kon bieden) of met een vierwielige wagen (die dus trager was maar soms zelfs als slaapwagen was ingericht). In doorsnee schoot een reiziger ongeveer 50 km per dag op wat, gezien de soms grote afstanden die moesten afgelegd worden, met zich bracht dat men vaak voor vele dagen of weken onderweg was...

Terug naar de inhoudsopgaaf