Terug naar de inhoudsopgaaf

HET DAGELIJKS LEVEN IN HET OUDE ROME

3. DAGELIJKSE BEZIGHEDEN, GEWOONTEN EN GEBRUIKEN IN ROME

K. DE LEVENSLOOP

a. Geboorte en kinderjaren

De Romeinen kenden vele godheden (en behalve Juno zijn dat eerder obscure goden) die alle stadia in de ontwikkeling van het kind zouden begeleiden: het kind in de moederschoot, het kind bij de geboorte, het kind bij het zuigen, het kind bij het lopen, het kind bij het spreken, etc. Hieruit blijkt duidelijk hoe bezorgd de Romeinen waren voor het pasgeboren leven, welke angst ze koesterden voor de boze geesten, en het toont eveneens aan welk een bijzonder hachelijke onderneming het was om in die tijd geboren te worden!

Op de dies lustricus (een zuiveringsfeest dat plaatsvond op de achtste dag na de geboorte van een jongen of op de negende dag na de geboorte van een meisje) kreeg het kind zijn voornaam. Waarom het precies dan gebeurde, is niet zeker maar blijkbaar wachtte men liever enkele dagen met het geven van de voornaam tot de overlevingskansen van het kind als redelijk konden beschouwd worden.

Dat de moeder haar kind zelf voedde, beschouwde men in het oude Rome als heel normaal. Vanaf ongeveer 200 voor Christus lieten vrouwen uit hogere kringen, bezorgd om hun schoonheid en opziend tegen de last, dit karwei over aan voedsters. Deze voedsters waren meestal Griekse slavinnen en de onderliggende bedoeling was dat de kinderen eerst Grieks zouden leren, want Latijn zouden ze natuurlijk mettertijd wel leren...

Vooral tijdens de Keizertijd werd er diep nagedacht over allerlei pedagogische problemen. Moest een moeder haar kind zelf voeden? Moest er privé of publiek onderricht verstrekt worden aan kinderen ? Quintilianus (een pedagoog uit de eerste eeuw na Christus) meent dat publiek onderricht de voorkeur verdient. Zijn lijfstraffen wenselijk om de studieijver op peil te brengen? Helemaal niet, meent diezelfde Quintilianus. Kan een kind inspanningen aan? Meer dan om het even wie, vindt Quintilianus. Moet men rekening houden met de verscheidenheid in aanleg en karakter? Ja, zolang je maar niet overdrijft, aldus Quintilianus. Moeten meisjes hetzelfde onderricht kunnen krijgen als jongens? Zeer zeker!

In Rome bemoeide de staat zich slechts weinig met het onderricht, maar vele ouders volgden het onderricht van hun kroost van zeer nabij en vonden het niet beneden hun waardigheid om soms zelf leraar te spelen. Als belangrijke factoren in het onderricht beschouwde men de opvatting dat een leraar de vader van de ziel is, dat opvoeding eigenlijk niets anders kan zijn dan liefde en dat opvoeding het midden moet houden tussen overdreven strengheid en - wat nog rampzaliger is - overdreven laksheid.

De traditionele opvoeding was vooral op de praktijk gebaseerd. Het waren de ouders (tot ongeveer zeven jaar de moeder, vanaf dan de vader) die een belangrijke rol speelden. Na de aanneming van de mannentoga werd de jongeman toevertrouwd aan een beroemd politicus of redenaar om de welsprekendheid in de praktijk te leren. Vanaf ongeveer 200 voor Christus werden meer en meer "specialisten" ingeschakeld: de voedster, de pedagoog (de vaste begeleider van de knaap tussen zijn zeven en zijn veertien jaar) en leraars van verschillende niveaus die zowel in het Grieks als in het Latijn les gaven.
 

b. De puberteit en de jeugd

De fysiologische gevolgen van de puberteit zijn nogal evident; het lichaam verandert onbeschrijflijk. Volgens de Romeinen evolueren lichaam en geest samen en komen ze ook samen tot rijpheid. Met de puberteit bereikt het kind dus de jaren van verstand, ontwaakt als het ware het logisch denken. De puber denkt intens na over zichzelf en over zijn bestemming.

Vanaf het intreden van de puberteit is de mens in staat om te zondigen. Dat komt niet alleen door het feit dat de passies pas dan in alle hevigheid ontwaken, maar ook omdat de mens zich pas dan echt bewust wordt van de gevolgen van zijn daden.

Wanneer trad de puberteit in? In dat verband zijn er niet zo veel expliciete uitspraken, maar als er al eens een leeftijd vermeld wordt, dan is dat meestal veertien. Dat heeft uiteraard te maken met de getallensymboliek (met de magische kracht van het getal zeven), een symboliek die in dit geval de waarheid niet al te veel geweld aandoet. Wel beseften (en zagen) de Romeinen dat de puberteit, vooral bij meisjes, vroeger kon beginnen en wisten ze ook dat niet iedereen op veertien geslachtsrijp was, iets wat dan op zeventien wel het geval zou zijn (zeventien is twee keer zeven, plus drie, een ander magisch getal!). Toch is de mens ook dan nog niet volledig "uitgegroeid"; sommigen lieten de puberteit eindigen op eenentwintig, anderen pas op vijfentwintig.

Er waren belangrijke maatschappelijke consequenties verbonden aan het bereiken van de puberteit; dat is dan ook de reden waarom de wetgever zich inliet met de leeftijd waarop men juridisch puber werd. Van oudsher gebeurde dit bij een meisje op twaalf jaar, zonder dat daarbij een onderzoek werd ingesteld (inspectio corporis) naar haar feitelijke geslachtsrijpheid. Deze twaalf jaar moet werkelijk een minimumleeftijd geweest zijn, en wellicht waren velen op die leeftijd nog niet echt geslachtsrijp. Bij de jongen werd daarentegen wel rekening gehouden met de daadwerkelijke geslachtsrijpheid, die dan geconcretiseerd werd door de aanneming van de mannentoga; juridisch was veertien jaar wel de minimumleeftijd. Pas onder het bewind van keizer Justinianus (527-565) werd de inspectio corporis als onwelvoeglijk beschouwd en afgeschaft op morele gronden.

De puberteit is duidelijk een uiterst belangrijk keerpunt in een mensenleven en het is dan ook evident dat zo'n gebeuren gevierd werd. Wat het meisje betreft, kunnen we verwijzen naar de huwelijksplechtigheid. Aangezien het meisje huwde in het begin van haar puberteit, waren de ceremonies voor haar eigenlijk initiatieriten. Bij de jongen daarentegen werd de overgang van kinderjaren naar puberteit veruiterlijkt door de aanneming van de toga virilis of mannentoga, wat gepaard ging met allerlei feestelijkheden, zowel binnenshuis als in het openbaar.

Voor een meisje had de puberteit niet dezelfde maatschappelijke betekenis als voor de jongen. Er waren toch geen openbare functies weggelegd voor haar en ze bleef levenslang onderworpen aan een man (haar vader, haar echtgenoot, haar voogd, haar oudste zoon, ...). Belangrijk voor haar was dat ze, mits instemming van vader of voogd, mocht huwen, iets waar ze dus niet lang mee wachtte. Ook de jongen mocht nu huwen, maar hij wachtte daarmee meestal nog veel jaren.
 

c. Huwelijk

Het huwelijk is een breekpunt in de menselijke levensloop, zowel voor een meisje, bij wie het huwelijk de kinderjaren afsluit, als bij de man, bij wie het normaliter een eind stelt aan de jeugdjaren. Vanaf wanneer werd er in Rome gehuwd?

Zoals reeds gezegd mocht een meisje volgens het Romeins recht huwen vanaf twaalf jaar. Literaire en vooral epigrafische bronnen leren ons dat de vrouw in de oudheid doorgaans trouwde tussen twaalf en vijftien. Gegevens over de leeftijd waarop de man huwde, zijn minder frequent maar ze schijnen erop te wijzen dat hij, voor zover hij huwde, gemiddeld negen jaar ouder was dan zijn partner. Of deze leeftijden ook opgaan voor de werkelijk behoeftigen, is erg moeilijk te zeggen, want over hen zwijgen de bronnen zo goed als helemaal. Vermoedelijk was een meisje uit zo'n milieu bij het huwelijk doorgaans enkele jaartjes ouder dan haar meer gegoede soortgenote, onder meer omdat van haar ook echte arbeid werd verwacht.

Twaalf jaar als wettelijke huwelijksleeftijd van het meisje is erg jong en ongetwijfeld waren heel wat meisjes dan nog niet geslachtsrijp. Er is evenwel meer: nogal wat bronnen leren ons dat, vooral in de Keizertijd, meisjes vaak op nog jeugdiger leeftijd huwden. De wetgever aanvaardde zulke verhoudingen, maar bepaalde wel dat er pas vanaf twaalf jaar sprake kon zijn van een wettig huwelijk.

Als we daarbij bedenken dat voor de Romeinen het doel van het huwelijk gelegen was in het verwekken van kinderen, dan kunnen we niet anders dan besluiten dat huwelijken met zulke jonge meisjes daar nu niet bepaald aan beantwoordden. Maar ook in onze dagen is het in Arabische landen niet ongewoon nog niet geslachtsrijpe meisjes uit te huwelijken, maar ook in die gevallen gaat het er eerder om dat ze "in verzekerde bewaring" genomen worden tot ze effectief geslachtsrijp zijn. Bij de Romeinen zal de situatie dus wel niet anders zijn geweest.

Zoals bij elk volk ging het huwelijk ook bij de Romeinen gepaard met bepaalde oeroude ceremonies. We kunnen ons een vrij goed beeld vormen van wat er dan allemaal gebeurde, maar de diepere zin van bepaalde praktijken is niet altijd duidelijk. Wel staat vast dat het allemaal te maken had met het afweren van boze geesten en het bevorderen van de vruchtbaarheid. Bepaalde praktijken zijn ook in onze tijd nog niet helemaal verdwenen. Het gebeurt ook nu nog dat de bruidegom de bruid over de drempel tilt, maar wie beseft er nog dat dat in wezen gebeurt omdat er onder de drempel boze geesten huizen? En wie weet er nog dat doopsuiker over de eeuwen heen te maken heeft met de okkernoten, die de bruidegom vroeger uitstrooide onder de kinderen ter bevordering van de vruchtbaarheid?

Op haar huwelijksdag was de vrouw speciaal gekleed. Ze droeg een lang wit kleed (als teken van haar maagdelijkheid), een oranje sluier om de boze geesten te verjagen en een kroon van zelf geplukte bloemen ter bevordering van haar vruchtbaarheid... Dit alles wijst duidelijk in de richting van een initiatieritus, een ceremonie die bij de jongen gevierd werd bij de aanneming van de toga virilis. De gelijkenis tussen beide riten is overigens opvallend; zowel jongen als meisje kleedden zich op de vooravond van de grote dag met de tunica recta, een onderkleed dat ze aanhielden bij het slapen; beiden offerden de dag zelf hun bulla (een amulet dat kinderen om de hals droegen om boze geesten af te weren) en hun toga praetexta (kinderkledij) aan de Lares (beschermgoden) van het huis; beiden veranderden dan van kledij en zoals de jongen in een feestelijke optocht naar het forum begeleid werd (de deductio in forum), zo werd het meisje met veel pracht en praal en lawaai naar het huis van haar echtgenoot gebracht (de deductio in domum mariti).
 

d. Het huwelijksleven

1. De relatie man-vrouw

Misogynie (vrouwenhaat) was in de Romeinse wereld wijd verspreid, wat niet betekende dat de vrouw in de teksten nooit opduikt als een huwelijksmotief. Normaliter huwde men omwille van de kinderen en zonder vrouw is dit vaak moeilijk te realiseren. Bovendien gaan bij een echtgenote het nuttige en het aangename hand in hand. Een vrouw maakt de man het leven gemakkelijk, neemt hem werk uit handen, bevordert zijn gemoedsrust, is een veilige thuishaven, zorgt voor hem als hij ziek is, brengt verlichting als hij bedroefd is en schenkt hem vrije tijd. Toch was er niet zelden sprake van verstandshuwelijken, van mannen en vrouwen die vreemden bleven voor elkaar en naast elkaar verder leefden.

De negatieve berichtgeving over het huwelijk heeft natuurlijk te maken met het feit dat zulke (slechte) huwelijken bestonden, maar ook met het feit dat literaire bronnen vooral de hogere standen belichten en dat het sensationele nu eenmaal vlugger de "voorpagina" haalt. Al deze wanhoopskreten mogen ons echter niet doen vergeten dat er zonder twijfel ook heel wat echt gelukkige gezinnen bestonden, zoals dat van Agricola en zijn vrouw, over wie Tacitus bericht: "Ze leefden in wonderbare eensgezindheid, in liefde voor elkaar, terwijl elk de ander hoger achtte dan zichzelf". Wellicht vernemen we nog het meest over die goede huwelijken in de grafinscripties, waarbij we kunnen denken aan de woorden die een slaaf liet inbeitelen op het graf van zijn drieëntwintigjarige echtgenote: Me mihi pluris, "ze was me dierbaarder dan mijn eigen leven". Hierbij kan men natuurlijk aanvoeren dat het in die inscripties vaak om gemeenplaatsen gaat, zoals op onze doodsprentjes, en dat is natuurlijk ten dele zo. Maar daarom zijn gemeenplaatsen nog geen leugens; ze vertolken vaak algemeen menselijke ervaringen en drukken minstens een ideaal uit; een ideaal in dit geval van kuisheid, soberheid, trouw en liefde...

Het rollenpatroon in het gezin was simpel: de taken buitenshuis waren voor de man, die binnenshuis waren voor de vrouw. Dat betekende nog niet dat de vrouw als een soort gevangene al haar tijd sleet in de vrouwenvertrekken. Bovendien waren de taken die ze thuis te verrichten had (o.m. het opvoeden van kinderen, het toezicht op de slaven, het beheer van de bezittingen,...) echt niet onbelangrijk.

Mettertijd verminderde ook de almacht die de man oorspronkelijk ten opzichte van de vrouw bezat. In de latere Keizertijd had de man niet langer het recht zijn overspelige vrouw te doden, kon een meisje niet langer tegen haar zin uitgehuwelijkt worden, kon haar huwelijk niet zo maar door de vader ongedaan gemaakt worden, kon de vrouw zelf de voogdij over de kinderen op zich nemen, etc. Zonder ooit de gelijke van de man te worden, bereikte de vrouw doorheen de oudheid dus wel een steeds grotere zelfstandigheid ten opzichte van de man.
 

2. De relatie ouders-kinderen

* Het verlangen naar kinderen

Velen voelden zich in bepaalde periodes van de oudheid echt niet aangesproken door het huwelijk maar wie huwde, deed dat in de allereerste plaats omwille van de kinderen (liberorum suscipiendorum causa). Een kind is er nodig opdat de mens "zijn voltooiing" zou kunnen bereiken; door een kind verwerft een mens een soort van onsterfelijkheid, zoals de geboorte van een kleinkind een nog grotere "voltooiing" brengt. Volgens Cicero is een kind (lees: zoon) nuttig, is hij de hoop van zijn vader, de bestendiging van diens naam, de steun van het geslacht, de erfgenaam van de familie en een burger voor het vaderland. En dat kinderen welkom waren als verzorgers van hun ouders op hun oude dag, in een tijd zonder sociale voorzieningen, zal evenmin verwondering baren!

Het nut van kinderen voor (hoofdzakelijk) ouders en maatschappij komt misschien het meest aan bod in de bronnen, maar vaak lezen we ook dat kinderen aangenaam kunnen zijn, dat men vreugde aan hen kan beleven, dat men in hen verder leeft, dat ze zorgen doen vergeten, dat men samen met hen weer jong wordt... En hoe kleiner het kind, hoe liever men het ziet, hoe meer men het koestert...
 

* Veel of weinig kinderen?

Wie huwde, wilde kinderen, en steriliteit van de vrouw zal in bepaalde gevallen zeker een grond voor echtscheiding zijn geweest. Maar het feit dat men kinderen wenste en dat men eventueel van kinderen hield, betekende nog niet dat de gezinnen in de oudheid doorgaans groot waren. Hoewel kinderrijke gezinnen voorkwamen, waren ze blijkbaar niet erg talrijk en werden veel kinderen zelden als een ideaal gezien. Pleidooien voor "kroostrijke gezinnen" zijn zeldzaam, ofschoon Augustus zeker aandringt op meer geboorten in de hoogste kringen. Kleine gezinnen konden een gevolg zijn van natuurlijke factoren, zoals bv. hoge kindersterfte; ze konden echter ook het resultaat zijn van een bewust ingrijpen: er zijn ongetwijfeld ouders geweest die aan gezinsplanning deden!

De kijk op een "ideaal" gezin is niet steeds dezelfde gebleven in de Romeinse geschiedenis, maar toch valt het op hoe er meermaals gesproken wordt over twee of drie kinderen, waarbij er dan aan ten minste een zoon en ten hoogste een dochter wordt gedacht. Om dat doel te bereiken werd een beroep gedaan op abortus en contraceptie of werd de geboorte achteraf "ongedaan gemaakt" door kinderdoding of te vondeling leggen (expositio). Vooral de laatste praktijken schokken ons, hedendaagse mensen, maar ze schokten ook de Romeinen. Wie een pasgeborene doodde, deed dat vaak omdat vondelingen een nog erger lot te wachten kon staan: een langdurige doodstrijd of overleven in onmenselijke omstandigheden... En wie zijn kind te vondeling legde, greep soms naar dat middel in de vaak - en niet steeds ijdele hoop - dat zijn kind door anderen zou gered worden.

Het is moeilijk om na te gaan welke van de zo-even vermelde methodes de meest verspreide was. Het feit dat we relatief weinig informatie bezitten over contraceptie, wettigt zeker niet de conclusie dat deze vorm van geboorteregeling zelden voorkwam. Contraceptie sprak nu eenmaal minder tot de verbeelding dan de andere aangehaalde methodes. Het was bovendien louter een vrouwenzaak en de stem van de vrouw wordt in de bronnen erg weinig gehoord. Waarschijnlijk probeerden velen deze methode vooraleer ze hun toevlucht namen tot drastischer middelen.

Abortus was zeker geen zeldzaamheid, maar het feit alleen al dat deze ingreep gevaarlijk was voor de moeder, zal sommigen hiervan weerhouden hebben. Na de geboorte kon men een kind te vondeling leggen, waardoor het een theoretische kans op overleven had en waardoor het ook mogelijk was een selectie door te voeren op grond van het geslacht. Als het tweede kind nogmaals een meisje was, waren de overlevingskansen vaak gering...

Dat prostituées en overspelige vrouwen deden wat ze konden om geen kinderen te krijgen, ligt natuurlijk voor de hand. Maar ook rijk en arm (en slaven) deden aan geboortebeperking. Abortus en contraceptie waren vooral het domein van de rijken, terwijl armen er waarschijnlijk de voorkeur aan gaven hun (ongewenste) kinderen te vondeling te leggen. Slachtoffer van deze laatste praktijk en van kinderdoding waren, behalve buitenechtelijke kinderen, vooral meisjes en gehandicapte kinderen. Vooral deze laatste categorie had weinig toekomst in de maatschappij, en bovendien werd een gehandicapte vaak als een slecht voorteken gezien.

De motieven die de antieke mens ertoe brachten om geboorteregeling toe te passen, waren uiteenlopend. In de bronnen wordt gesproken van egoïsme, geldzucht, losbandigheid, bezorgdheid van de vrouw om haar eigen schoonheid, haar verlangen om een misstap ongedaan te maken, enz. Het ligt voor de hand dat zulke motieven zeker hebben meegespeeld en dat ze in bepaalde gevallen zelfs doorslaggevend waren. Toch was de economische of sociale druk belangrijker als motief voor de Romeinen om weinig (of zelfs geen) kinderen voort te brengen. Voor een meisje moest bij het huwelijk een bruidsschat betaald worden: een serieuze aderlating voor elk gezin! Voor de rijken betekende een groot gezin een zekere versnippering van het familiebezit, zodat de individuele kinderen minder welvarend - en dus ook minder invloedrijk - zouden zijn dan hun ouders...

De wetgeving hield zich lang op de vlakte. Contraceptie of abortus werden nooit als dusdanig verboden, tenzij in de late Keizertijd en dan nog uitsluitend voor zover ze het leven van de moeder in gevaar brachten of het recht van de man op nakomelingen aantastten. Pas in 374 werden het doden van kinderen en het te vondeling leggen van een kind als een moord beschouwd... De medische wetenschap nam sinds Hippokratès het standpunt in dat het de plicht van een geneesheer was te redden wat de natuur voortbracht. Abortus toepassen was voor een geneesheer dus formeel verboden; dit standpunt bleef de hele oudheid door ongewijzigd.
 

* Contraceptiva

De bewaard gebleven bronnen geven ons relatief weinig informatie over de contraceptieve methodes van de Romeinen. Dit kan twee redenen hebben: ofwel berustte er een sociaal taboe op en was het onderwerp niet bespreekbaar (maar waarom vinden we dan zoveel over abortus?), ofwel ging het om iets zeer alledaags, de moeite van het vermelden niet waard.

Welke methodes behoorden nu tot de mogelijkheden? Er waren eerst en vooral de biologische of natuurlijke methodes. De eenvoudigste oplossing (althans voor aseksuelen of mensen met een ijzersterk karakter): langdurige seksuele abstinentie. Daarover is weinig bekend; wel weten we dat seksuele onthouding soms aangeprezen werd vanuit filosofisch standpunt. Verder was er periodieke onthouding. En coïtus interruptus werd uitsluitend beschouwd als een zorg voor de vrouw: zij is het die zich moet terugtrekken, niet de man!

Bij de biologische methodes is er nog steeds een zekere verantwoordelijkheid van de man, maar globaal genomen waren ze erg riskant omdat ze verschrikkelijk ondoeltreffend waren om zwangerschap te vermijden.

Als we de mechanische middelen beschouwen, dan zien we dat de Romeinen het condoom, de schedespons, het pessarium en postcoïtale irrigatie kenden. Als condoom kon bv. een blaas van een geit gebruikt worden; maar er wordt over het condoom erg weinig gesproken en de verklaring daarvoor kan liggen in het feit dat contraceptie in de oudheid louter als een vrouwenzaak beschouwd werd: zij moest er dus maar voor zorgen dat ze niet zwanger raakte!

De schedespons was een soort tampon van katoen, linnen of wol, die de vrouw vóór de coïtus kon inbrengen. De bedoeling was dat de baarmoedermond werd afgesloten en het sperma werd geabsorbeerd. Als extra veiligheid kon men de spons nog drenken in een spermacide vloeistof: zout water, olie, enz. Alweer ligt de verantwoordelijkheid bij de vrouw; de betrouwbaarheid van dit sponsje is verder gering en het gebruik ervan verstoort het zelfreinigend mechanisme in de vagina.

Het pessarium diende eveneens om anticonceptieve stoffen in het lichaam van de vrouw aan te brengen. Van dergelijke stoffen werd de volgende aanbevolen: twee delen granaatappelschillen, een deel galappels; maak zacht en maak er kleine pessaria van; gebruik ze na het einde van de menstruatie. Alweer een methode voor de vrouw; het pessarium was, net als de schedespons, moeilijk in te brengen en op de koop toe konden deze beide voorbehoedsmiddelen verschuiven. Dat bracht met zich mee dat andere houdingen dan de vrouw in rugligging onderaan uitgesloten waren, wat het liefdesspel er nu niet bepaald boeiender op maakte.

Het postcoïtale uitspoelen van de vagina met toxische stoffen is onbetrouwbaar en heeft hoogstens een positief effect qua hygiëne. Alweer ligt de zorg bij de vrouw...

Voor de volledigheid kunnen nog andere praktijken vermeld worden, zoals het postcoïtaal rechtop zitten, hard springen, persen en zelfs niezen... De anticonceptieve waarde van deze "technieken" is natuurlijk nul en ze mogen naar het rijk der fabelen verwezen worden.

En zo komen we tot de farmaceutische middelen, die ofwel afzonderlijk werden aangewend, ofwel in combinatie met de reeds besproken schedespons of het pessarium. Ze werden oraal (via pillen, drankjes of wijn) en lokaal (via zalf, pessarium of schedespons) toegediend. Er werden vijf soorten onderscheiden:

* kleverige stoffen: olie, honing, harsen en mirre; deze stoffen sluiten de baarmoedermond af en reduceren de beweeglijkheid van de spermatozoïden;
* vluchtige oliën: mirte- en rozenolie, olie uit onder meer berenklauw, wijnruit en panaxwortel; die oliën prikkelen het baarmoederslijmvlies;
* adstringerende stoffen: onder andere aluin en loodwit; ze maken eiwit on werkzaam en doden zo het sperma; ook de looistof fen behoren hiertoe; die worden aangetroffen in heel wat planten (galnoten, mirre, moederhars, enz.);
* zure stoffen: granaatappels en vijgen; hun zuur doodt de zaadcellen, en een enzym in de vijgen splitst eiwit;
* aarde: de zogenaamde terra Cymolia, zeer kalkrijk (ook gebruikt bij pest en dysenterie).

Opvallend is het gebruik van de granaatappel, het symbool bij uitstek van de vruchtbaarheid. Deze appel bevat, zo heeft modern onderzoek bewezen, een oestrogeen hormoon. Ook de vele contraceptieve drankjes die men in de oudheid kende, werden veelal (zo is nu gebleken) bereid uit extracten van planten met oestrogene werking (onder andere haver, gerst, tarwe, rijst, maïs, lupine, bonen, klaver, venkel en berenklauw).

Deze farmaceutische middelen kunnen dus effectief geweest zijn, al blijft het een open vraag in hoeverre bepaalde van deze stoffen schade hebben kunnen aanrichten aan het lichaam van de vrouw... Opvallend blijft overigens de vaststelling dat ook nu de volledige verantwoordelijkheid voor de contraceptie bij de vrouw berust!

Tot zover de enigszins rationele en min of meer effectieve methodes voor geboortebeperking. Daarnaast werden ook allerlei magische praktijken toegepast, wellicht op veel grotere schaal dan de hierboven reeds vernoemde technieken. Deze volksgebruiken, die van generatie op generatie werden overgeleverd, moeten vooral bij de gewone vrouwen populair geweest zijn. In de lagere regionen van de bevolking waren de methodes uit de medische wereld wellicht zeer slecht of gewoon niet gekend. De gewone mensen waren immers te onderontwikkeld op intellectueel niveau om wetenschappelijke literatuur door te nemen en verder hadden ze de middelen niet om dure artsen te betalen. En op dat punt is er eigenlijk niet echt veel veranderd!

Een mooi en bizar voorbeeld van zo'n magisch contraceptivum is het volgende: er bestaat een harige spin met een zeer grote kop. Bij het opensnijden van dat beestje vind je binnenin twee wormpjes. Als je die vóór zonsopgang, gewikkeld in een stuk huid van een hert, aan een vrouw bevestigt, zal ze niet zwanger worden... Geloof dit asjeblief niet, lieve lezers, en gebruik goede voorbehoedsmiddelen.

Als we het hele rijtje Romeinse contraceptiva overlopen, dan is er een zaak overduidelijk: contraceptie was een zaak van de Romeinse vrouw (de uitzonderingen op die regel liggen in de biologische methodes). Geboorteregeling via contraceptie ging kennelijk de man niet aan. Nochtans komt het de relatie tussen man en vrouw ten goede als ook de man zich van zijn verantwoordelijkheid bewust is. Toonde de Romeinse man begrip voor de eventuele problemen die anticonceptie bij zijn vrouwelijke partner teweegbracht? Volledige zekerheid daaromtrent zullen we natuurlijk nooit hebben, maar als de man al begrijpend en gevoelig was, waarom komt dat dan nooit tot uiting in de bronnen?

Dat de vrouw het grootste deel van de verantwoordelijkheid op zich moest nemen , bracht automatisch met zich mee dat de vrouw, indien ze niet zwanger wenste te worden, voortdurend op haar hoede moest zijn. Bij de biologische methodes konden angst en onzekerheid seksueel genot verhinderen; bij het gebruiken van de schedespons of het pessarium, die vóór het vrijen moesten ingebracht worden, werd de eventuele spontaneïteit van het moment geremd en werd de intimiteit verstoord. En de mogelijkheid dat man en vrouw het inbrengen van een pessarium, het gebruik van een condoom, het insmeren met spermacide producten, enz. konden laten uitgroeien tot een extra opwindend onderdeel van hun liefdesspel, lijkt me niet erg groot. En bij postcoïtale irrigatie moest de vrouw zich bruusk aan de omhelzing van de man onttrekken om de nodige maatregelen te treffen: alweer irritatie en verstoring van het intieme moment...

Bovendien waren vele van die farmaceutische producten, volgens de moderne geneeskunde, gevaarlijk bij lange en onvoldoende gecontroleerde inname. Komt daar nog bij dat vele van die middelen onaangenaam waren wat betreft geur en uitzicht en ze waren in combinatie met een schedespons of een pessarium soms moeilijk in te brengen, enz. En last but not least: vele van die contraceptieve middelen waren niet efficiënt; succes moet vaker te maken hebben gehad met puur toeval dan met inzicht.

Ik geef toe dat het gebrek aan voldoende en correcte kennis inzake contraceptie moeilijk aan de Romeinse man kan verweten worden; wat hem wel kan aangewreven worden, is zijn totaal gebrek aan communicatie met de vrouw inzake contraceptie. In een opzicht was het positief voor de vrouw dat alle verantwoordelijkheid bij haar lag, omdat zij daardoor (voor zover dat tenminste mogelijk was) controle over haar lichaam behield, maar daarom hoefde de man zich nog niet totaal onverschillig en wars van elke verantwoordelijkheid te gedragen. En juist dat was, steunend op de bronnen en de eventuele uitzonderingen buiten beschouwing latend, de houding van de Romeinse man.
 

* Abortus

Welke abortusmethodes waren er in de Romeinse samenleving bekend? Er waren eerst en vooral de mechanische middelen. Daarbij is het de bedoeling dat de vrouw allerlei heftige bewegingen maakt: ze moet op een rijdende kar gaan zitten, heftig heen en weer schudden of te zware lasten tillen.

Een tweede mogelijkheid lag in het gebruik van farmaceutische producten. Men kon warme olie inspuiten, lauw-warme baden nemen of aborterende stoffen in de baarmoeder aanbrengen (zoals absynth en apopanax). Er werd zelfs geloofd dat aderlaten en massages konden helpen. Allerlei zalfjes, pillen en pessaria (uit plantenextracten bereid) dienden voor hetzelfde doel. Er is soms zelfs sprake van verbrandingen, van plaasters en omslagen van pap-achtige substanties.

Tot slot bestond er ook een chirurgische methode: het doorprikken van de vliezen met een spits en zeer scherp voorwerp. Deze praktijk hield heel wat gevaar in voor interne verwondingen en beschadiging van de genitaliën. De conclusie dat abortus voor de Romeinse vrouw uiterst gevaarlijk was of kon zijn, ligt dan ook voor de hand. Suetonius vertelt in zijn biografie over keizer Domitianus dat Julia, een nichtje van de keizer, abortus beschouwde als een contraceptivum, maar dat ze de zoveelste abortus niet overleefde.

Naast de chirurgische methode moeten vooral bepaalde farmaceutische producten nefast zijn geweest. Wat warme olie, aborterende stoffen en verbrandingen aan het vrouwenlichaam hebben aangericht, moet vreselijk zijn geweest. Als een vrouw deze martelingen al overleefde, dan was de kans reëel dat ze voor de rest van haar verder leven inwendig verminkt was.

De Romeinse manieren van aborteren waren omslachtig en, hoewel af en toe effectief, toch zeer onveilig. Uiteraard reageerde elke vrouw anders op pijn, maar zelfs bij de meest ongecompliceerde abortus in onze tijd is soms een pijnstiller, eventueel een kalmerend middel en zeker lokale verdoving nodig. En de Romeinse vrouw had hiervan nu eenmaal weinig of niets ter beschikking...

Wellicht "knoeiden" vrouwen onder elkaar (met een buurvrouw of een trouwe vriendin) er maar op los, zeker in de lagere klassen, met alle desastreuze gevolgen van dien. En net zoals dat bij contraceptie het geval was, zocht de volksvrouw waarschijnlijk vaak haar toevlucht tot magische recepten en ook deze soort abortieven zal wel gevaarlijker en dodelijker zijn geweest dan effectief en nuttig...
 

3. De opvoeding van kinderen

Zodra een kind geboren en aanvaard was, waren de ouders verantwoordelijk voor zijn opvoeding en viel het kind onder de patria potestas, de "macht van de vader", de pater familias. Oorspronkelijk waren de rechten van een pater familias over zijn kinderen onbeperkt en daarbij springt dan vooral het levenslang recht op leven en dood (ius vitae necisque) in het oog. Naarmate de Romeinse samenleving evolueerde, was de vader steeds minder een tiran die met zijn kinderen zo maar kon doen wat hij wou, voor zover hij dat al zou wensen te doen.

Meer en meer drong de opvatting door dat vaders zich in hun houding tegenover hun kinderen door liefde en genegenheid (pietas) moesten laten leiden. Alleszins schijnt de gemiddelde jongeman in het alledaagse leven niet te veel geleden te hebben onder het feit dat zijn vader hem onder de plak hield!

Vaderliefde uitte zich in de Romeinse oudheid anders dan moederliefde, ze manifesteerde zich niet in elke vader of in elke periode op dezelfde manier, maar is waarschijnlijk toch altijd een realiteit geweest. Wie streng of te streng was tegenover zijn kinderen, kon uit (misschien misplaatste) liefde handelen, maar wie mild of te mild was, evenzeer! Alleszins was er niets dat een vader, die naam waardig, meer vreugde verschafte dan wanneer zijn kroost het goed stelde, en niets dat hem meer verdriet berokkende dan wanneer een kind het moeilijk had of niet aan de verwachtingen beantwoordde: ouderliefde is dus een instinctief fenomeen.

Opvallend is de bezorgdheid van vele Romeinse vaders voor de intellectuele vorming van hun kinderen. Zeker in de vroegste tijden was het niet ongewoon dat de vader zichzelf hiermee belastte of op zoek ging naar de beste leraar en alle denkbare offers bracht om zijn zoon te laten studeren, waarbij hij op alle mogelijke manieren de studie-ijver trachtte te activeren, nauwlettend toezag op de schoolse prestaties, soms samen de lessen ging volgen, trots was op de behaalde studieresultaten en vooral vaak niet kon geloven dat mindere resultaten misschien iets te maken konden hebben met de beperkte intellectuele gaven van zoonlief. Liefde maakt blind en onredelijk. Het is jammer dat het werkje dat Orbilius, een hardhandige onderwijzer, schreef over het onrecht dat leerkrachten te verduren kregen als gevolg van de ambitie van ouders, verloren is gegaan, maar veel verbeelding is er niet nodig om te gissen waarover hij het moet gehad hebben!

Ouders waren minstens even bezorgd voor de morele opvoeding van hun kinderen als voor hun intellectuele vorming. Hun goede naam ging hen ter harte en zowel met mildheid als met strengheid trachtten ze hen op het goede pad te houden of (indien nodig) tot inkeer te brengen. Ook al waren de meeste ouders wel bereid een en ander door de vingers te zien, en al gunden ze de jeugd wel wat pleziertjes, van overdrijvingen moesten ze over het algemeen niets hebben.

Vrij algemeen heerste het besef dat overdreven strengheid ouders en kinderen van elkaar vervreemdde, maar dat overdreven inschikkelijkheid zo mogelijk nog ergere gevolgen had op moreel gebied. Het ideaal van de gulden middenweg, dat onder meer Seneca de ouders voorhield, was echter een pad dat ook in de oudheid blijkbaar niet gemakkelijk te vinden was. Moeilijkheden tussen ouders en kinderen konden dan ook niet uitblijven, en om die op te lossen waren er verschillende mogelijkheden. Ideaal was dat conflicten uitgepraat werden; ratione, non vi vincenda adulescentia est, luidde een Latijnse spreuk (met verstand, niet met geweld moet de jeugd overwonnen worden).

Wanneer een zoon echter niet voor rede vatbaar was en vaders preken beu was, moest de vader wel andere methoden toepassen. Het zal wel gebeurd zijn dat er een serieus pak slaag gegeven werd of dat zoonlief onterfd werd, maar dat zal wel niet vaak zijn voorgevallen. Voor het zo ver was, kon de vader zijn zoon nog dwingen in het huwelijk te treden!
 

e. Afkeer van en verzaking aan het huwelijk

Hoe hoog bepaalde auteurs het huwelijk ook prezen, toch konden ze niet verhinderen dat in brede lagen van de bevolking heel wat mensen afkerig stonden tegenover een huwelijk. Moralisten vonden dat zulke mensen zich lieten leiden door lage motieven als genotzucht, egoïsme, angst voor de vrouw als tiran, afkeer van de lasten die huwelijk, vrouw en kinderen nu eenmaal meebrengen... Dat zulke motieven speelden, ligt voor de hand; ook in onze tijd spelen die motieven soms nog mee.

Maar er waren ook andere motieven die meespeelden. Voor arme mensen was het niet gemakkelijk om vrouw en kinderen te onderhouden. Het grote leeftijdsverschil tussen man en vrouw en het daaraan inherente aanzienlijke verschil tussen beiden inzake intellectuele ontwikkeling en seksuele ervaringen, kon ook een factor zijn. Het feit dat een relatie eerder te maken had met waardigheid dan met genot was ook geen echte aansporing om eraan te beginnen!

Liefde zal in het huwelijk ongetwijfeld wel zijn voorgekomen, maar velen vonden die toch gemakkelijker in een vrij gekozen relatie buiten het huwelijk met de geliefde van hun hart, in een romantische liefde zoals we die vaak beschreven vinden bij de lyrische dichters (Catullus, Tibullus en Propertius).

Terug naar de inhoudsopgaaf