Terug naar de inhoudsopgaaf

HET DAGELIJKS LEVEN IN HET OUDE ROME

3. DAGELIJKSE BEZIGHEDEN, GEWOONTEN EN GEBRUIKEN IN ROME

L. DOOD, BEGRAFENIS EN HIERNAMAALS

a. Het overlijden en het opbaren

Wanneer een Romein op sterven lag, was het de gewoonte dat een van zijn naastbestaanden zijn laatste adem in een kus opving en hem ook de ogen sloot. Onmiddellijk nadat hij het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld, riepen alle aanwezigen luid zijn naam (conclamatio); als de dode niet antwoordde, werd dat beschouwd als het definitieve bewijs van zijn overlijden.

Het lijk werd dan verzorgd: slaven van de begrafenisondernemer begonnen het lichaam te wassen met warm water en wreven het in met zalf. Vervolgens werd het geklede lijk in het atrium opgebaard op een praalbed. Onder de tong van de dode legde men een klein muntstukje: dit geld was het veergeld voor Charoon.

Rond het stoffelijk overschot brandden olielampen en kaarsen, terwijl op het lichaam van de overledene bloemen, kransen en linten werden gelegd. Ten teken van rouw doofde men het vuur in de haard en de vrouwen van de familie barstten van tijd tot tijd los in een oorverdovend geklaag, gejammer en geween waarbij ze zich de haren uittrokken, de kleren scheurden, zich op de borsten sloegen en zich tot bloedens toe krabden. De periode van opgebaard blijven duurde langer naarmate de overledene een belangrijker figuur was. Als de armen nog de dag van hun sterven zelf begraven werden, bleven de keizers soms een week opgebaard.
 

b. De begrafenisplechtigheid

Een mens sterft doorgaans niet graag; we houden aan het leven vast alsof ons leven ervan afhing, om het eens erg onnozel te formuleren. Maar de gedachte dat we na onze dood geen mooie begrafenis zouden krijgen, is al evenmin erg welkom. Daarom gaan mensen steeds streven naar een spaarpotje, waarmee men na hun dood hun begrafenis kan betalen. In Rome spaarden mensen die hetzelfde beroep uitoefenden in een gemeenschappelijke spaarpot, waaruit alle begrafenissen werden betaald, een gebruik dat toch wel sterk doet denken aan moderne vormen van verzekeringssysteem. Een begrafenis van een arme of een begrafenis van een kind, was erg eenvoudig en vond 's nachts plaats. Met veel pracht en praal werden de rijken overdag begraven, hetzij op kosten van hun naastbestaanden, hetzij op kosten van de staat.

Begrafenissen werden verzorgd door begrafenisondernemers (libitinarii), een winstgevend maar geminacht beroep. Een libitinarius had veel slaven in dienst: om het lijk te wassen en op te baren, om het te kisten en naar het graf te brengen, of om grote begrafenissen te regelen. Alleen bij de begrafenis van belangrijke Romeinen waren overlijdensberichten gebruikelijk. Ze waren natuurlijk niet gedrukt maar werden door een heraut of omroeper ter kennis van het publiek gebracht.

De begrafenisstoet (pompa) werd voorafgegaan door muzikanten. Hij vorderde langzaam, begeleid door de klank van fluiten, horens en trompetten. Dan volgden fakkeldragers, dan gehuurde klaagvrouwen die in geproduceerd volume makkelijk konden wedijveren met de overigens luid spelende muzikanten; in de periode dat zowel muzikanten als klaagvrouwen hun tweede adem zochten (en meestal vonden), bracht iemand een gezongen lijkklacht ten gehore of werden de deugden van de overledene luidkeels geprezen. De spotlust van de Romeinen deinsde er zelfs niet voor terug grappen en kwinkslagen ten beste te geven (en daarbij werd zelfs de dode niet ontzien!).

Een van de hoogtepunten van de begrafenisstoet was de optocht van de voorouders. Van vooraanstaande Romeinen werd een dodenmasker gemaakt dat nadien in (edel) metaal werd uitgewerkt. Al die maskers (die in het huis op een voorname plaats werden bewaard) werden voor de gelegenheid aan slaven voorgebonden die verder werden uitgedost in de staatsiekledij van die aflijvige en meeliepen in de stoet. Deze "voorouders" gingen vóór de lijkbaar, die op haar beurt gevolgd werd door de rouwende familieleden. De kleur van de rouwkledij was grijs of zwart en niet zelden strooide men asse op het hoofd; de vrouwen droegen hun haar onopgemaakt en tooiden zich niet met sieraden of opsmuk. Ook zij betuigden luidkeels hun verdriet.

Zo trok de begrafenisstoet naar de plaats waar het lijk verbrand of begraven werd. Die beide plaatsen moesten buiten de stadsgrens (pomerium) liggen. In de stad begraven worden was een zeer uitzonderlijke eer, slechts toegekend bij buitengewone verdiensten. In de republikeinse tijd werden de armen begraven terwijl de rijken werden verbrand: zelfs in de dood bleef de sociale onrechtvaardigheid bestaan... Een arme werd in een armzalige kist aan de aarde toevertrouwd op de begraafplaats der plebejers, zonder de eer van de brandstapel.

De brandstapel kon op twee manieren gemaakt worden. De eenvoudigste brandstapel was een bustum: een gat in de grond dat met hout werd gevuld, waarop dan het lijk werd gelegd. Wat na verbranding overbleef (houtskool, as en beenderen), werd met aarde bedekt. Meer verspreid was het gebruik dat verbranding en begraving twee aparte ceremoniën waren, die op verschillende plaatsen werden voltrokken. De verbrandingsplaats heette dan ustrina (brandplaats), de plaats waar de resten werden begraven sepulcrum (graf).

Op de bij de zeer rijken overvloedig versierde brandstapel (beelden, tapijten, schilderstukken!) werd de baar met het lijk geplaatst. Vervolgens gooiden vrienden en familieleden kledingstukken, sieraden, wapens, kortom alle voorwerpen op de brandstapel waaraan de dode tijdens zijn leven gehecht was geweest. Een oud ritueel schreef voor dat men dan de dode nog eenmaal de ogen opende, weer sloot en een afscheidskus gaf. Dan stak een vriend, verwant of hoogwaardigheidsbekleder de brandstapel aan, terwijl de omstaanders bloemen en reukwerk in het vuur gooiden om de bij verbranding vrijkomende kwalijke geuren tegen te gaan. Nadat de brandstapel was opgebrand, werden de gloeiende resten gedoofd met wijn. Het naaste familielid moest dan de zwartgeblakerde beenderen verzamelen; ze werden voorlopig in zalf of honing gelegd, in afwachting van de definitieve plaatsing in een urn. Na een zuiveringsceremonieel keerden de aanwezige vrienden naar huis terug, terwijl de familieleden achterbleven bij de beenderen.

Nadat het gebeente in een urn was gelegd, werd de urn bijgezet. Dit kon gebeuren in een columbarium, een muur met allemaal nissen voor urnen; een inscriptie herinnerde dan aan de persoon van de overledene. Een tweede mogelijkheid was dat de urn in een graf werd geplaatst, een heus monument dus, maar ook dit was het privilege van de rijken.

Naarmate de eerste eeuw van het keizerrijk verstreek en naarmate het christendom vastere voet aan de grond kreeg in Rome, ging het aantal verbrandingen achteruit ten voordele van begrafenissen in de aarde. Dit had natuurlijk alles te maken met het geloof van de christenen in de dag van het laatste oordeel, waarbij alle gelovigen voor het aanschijn Gods moeten verschijnen. Na verbranding van het lijk is zo'n verschijning voor de Opperste Rechter natuurlijk nogal onsamenhangend, vandaar dat men meer ging begraven. En opnieuw die sociale onrechtvaardigheid: rijken lieten zich ter aarde bestellen in een prachtige marmeren sarcofaag, terwijl de armen in een wit laken in de blote grond werden gelegd. Denk in dit verband maar even aan de catacomben in Rome: tientallen kilometers gangen met honderdduizenden graven; ongelooflijk indrukwekkend...
 

c. Het hiernamaals van de Romeinen

Na de dood gaan de schimmen van de overledenen naar de onderwereld. Wat zijn schimmen (manes, umbrae, simulacra)? Een schim heeft de gestalte van de dode maar is groter dan de overledene; hij lijkt er volledig op. Een schim kan als droombeeld aan een levende persoon verschijnen om hem aan te sporen of te vermanen. De schim verlaat het lichaam op het ogenblik van de dood (onzichtbaar voor de omstaanders) en begint de tocht naar de toegang tot de onderwereld (voor de Romeinen: een grot nabij het Avernusmeer, ten noorden van Napels).

De onderwereld is dus het (onder de aarde gelegen) oord waar de schimmen van alle doden terechtkomen. De onderwereld staat bekend onder vele namen: Tartaros, Erebos, Orkos, en (metonymisch, dus naar de naam van god van de onderwereld) Hadès en Dis. Op grond van niet steeds even duidelijke aanwijzingen in teksten (er zijn namelijk niet veel mensen uit de onderwereld teruggekeerd) kunnen we ongeveer volgende beschrijving geven.

De toegang tot de onderwereld is aardedonker; een pad helt af naar beneden en voert naar de Styx, een stroom (of is het eerder een langgerekt moeras?) die negenmaal rond de onderwereld vloeit. Aangezien de onderwereld een eigen zon en maan heeft, mogen we veronderstellen dat er, van bij de oever van de Styx, een minimum aan zichtbaarheid is die toeneemt naarmate men zich verder in de onderwereld waagt.

De schimmen van de pas overledenen troepen allemaal samen aan de oever van de Styx om toegelaten te worden tot de eigenlijke onderwereld, die aan de overzijde van de Styx begint. Alleen de schimmen van de begravenen mogen over de Styx; schimmen van wie het lichaam niet begraven werd, moeten honderd jaar aan de oever van de Styx wachten alvorens ze zullen overgezet worden. Voor die tocht over de Styx zorgt Charoon (een krasse, oude god) met zijn schuit. Als veergeld voor de overtocht ontvangt hij van elke schim een obool (de kleinste Griekse munt).

Eens de schimmen in het centrale deel van de onderwereld zijn aangekomen, worden ze langs de driekoppige, olifant-grote waakhond Kerberos geloodst en voor een drieschaar gebracht. Drie rechters, Aiakos (vader van Pèleus en grootvader van Achilleus), Minoos en Rhadamanthos (zonen van Zeus en Europa) verwijzen de schimmen, afhankelijk van hun fouten of verdiensten, naar het rampzalig verblijf van 1000 jaar in de Tartaros of Erebos (waar onbeschrijflijke kwellingen hen wachten: je ondergaat er alles wat je op aarde anderen hebt aangedaan in tienvoud...), of naar het gelukzalig bestaan van 1000 jaar in de Elysese velden (te midden van feesten en dansen en betoverend mooie landschappen, gekoesterd door de warme zon van de onderwereld...).

Behalve de Styx zijn er nog vier stromen in de onderwereld. Er is de Kokytos of Jammerstroom, die niet kabbelt of ruist maar klaagt en steunt. Er is de Acheroon, een normale stroom. Er is de Phlegethoon, een stroom die vuur in plaats van water meevoert. Tenslotte is er nog de Lèthè, de stroom der vergetelheid: als men van zijn water drinkt, vergeet men.

Het paleis van de goden van de onderwereld (Dis / Hadès / Ploetoon en zijn echtgenote Proserpina / Persephonè) bevindt zich waar de weg zich splitst naar de Elysese velden enerzijds en naar de Tartaros anderzijds.

Na hun straf van 1000 jaar te hebben uitgeboet, worden de schimmen door een schroeiend hete woestijn gedreven, waarachter de Lèthè wacht. Diegenen van de dorstige schimmen die zich te pletter drinken aan het water van de Lèthè, vergeten alle narigheid, kwellingen en folteringen en op aarde zullen ze alweer een leven vol fouten, misstappen en zonden leiden. Diegenen van de schimmen die minder drinken, zullen, hun narigheid, kwellingen en folteringen indachtig, een voorzichtig en voorbeeldig leven leiden op aarde en wellicht, na hun dood, in de Elysese velden worden toegelaten.

Achter de Lèthè krijgt iedere schim een nieuw lot toebedeeld van de Schikgodinnen (of Moiren of Parken). Klotho spint hun nieuwe levensdraad waaraan haar zuster Lachesis hun nieuw lot ophangt (op het einde van de door dat lot bepaalde levensduur knipt Atropos die levensdraad door). De schim wordt, met zijn nieuw levenslot, in een nieuw mensenlichaam opgenomen op het ogenblik van de geboorte.

En wat gebeurt er met de beloonde schimmen na hun verblijf in de Elysese velden? Wel, die worden opgenomen in het etherisch vuur, dat zich boven het hemelgewelf bevindt en de ware levensgeest is die alles regelt en bestuurt. Dat etherisch vuur kun je met het blote oog zien, doorheen de kleine gaatjes in het hemelgewelf; al die lichtpuntjes worden ook wel eens "sterren" genoemd.

Terug naar de inhoudsopgaaf