Terug naar de inhoudsopgaaf

HET DAGELIJKS LEVEN IN HET OUDE ROME

4. ONTSPANNING IN HET OUDE ROME

B. DE SPELEN IN HET AMFITHEATER

a. De gebouwen

1. Doel van een amfitheater

Een amfitheater werd door de Romeinen gebouwd om er jachtschouwspelen (venatio) en gladiatorengevechten (munus) te laten doorgaan.
 

2. Typevoorbeeld van een amfitheater: het Colosseum

De eerste amfitheaterspelen in Rome hebben plaatsgevonden in 264 voor Christus, op het Forum Boarium naast de Tiber. De volgende spelen hadden plaats op het Forum Romanum, waar bij die gelegenheden houten tribunes werden opgetrokken.

In 30 voor Christus liet Caius Statilius Taurus, op aanraden van Octavianus (de latere keizer Augustus), het eerste stenen amfitheater van Rome optrekken op het Marsveld. De brand van Rome in 64, onder het bewind van Nero, verwoestte ook dit amfitheater en Nero liet een voorlopig amfitheater in hout bouwen om het vernielde bouwwerk te vervangen.

Het waren de keizers van de Flavische dynastie die Rome een amfitheater schonken dat de Eeuwige Stad waardig zou zijn: het Amphitheatrum Flavium. De bouw begon onder keizer Vespasianus (69-79). Het Colosseum ligt in het dal tussen de Esquilijnse heuvel, de Caeliusheuvel en de Palatijnse heuvel. Het werd gebouwd na het droogleggen van het stagnum Neronis, de kunstmatig aangelegde vijver in Nero's Domus Aurea of Gouden Huis. Keizer Vespasianus schonk door de bouw van het Colosseum een stuk Rome, dat door Nero's egocentrische bouwwoede in beslag was genomen, terug aan de Romeinen. Naast het Colosseum stond nog wel het reusachtige beeld (37 m hoog) van Nero, de zogenaamde Colossus, waaraan het Amphitheatrum Flavium mettertijd zijn naam zou ontlenen. De slaven die werden ingezet voor dat gigantisch werk, waren meestal joden die door Vespasianus en Titus in Palestina verslagen en gevangen genomen waren.

Het Amphitheatrum Flavium werd, hoewel nog niet volledig afgewerkt, een eerste maal ingehuldigd vóór 79. Op dat ogenblik had de gevel nog maar twee rijen bogen: die met de Dorische halfzuilen van de benedenverdieping, en die met Ionische halfzuilen van de eerste verdieping. Onder Titus (79-81) werd de bouw voltooid (de bogen van de tweede verdieping met Corinthische halfzuilen). Het Amphitheatrum Flavium werd in 80 opnieuw ingehuldigd, met een plechtigheid die honderd dagen duurde en aan vijfduizend wilde dieren het leven kostte.

Op dat ogenblik rustte de arena nog op de begane grond en kon ze onder water gezet worden voor waterballetten en naumachieën (schijngevechten met schepen). Onder keizer Domitianus (81-96) werd de arena onderkelderd, zodat waterballetten en naumachieën voortaan uit den boze waren. Domitianus liet ook het maenianum summum optrekken, de bovenste rondgang, die aan de buitenkant als een geblindeerde arcade verschijnt, en aan de binnenzijde als een overdekte zuilengalerij. De daar voorziene staanplaatsen waren voorbehouden aan vrouwen.

Het Amphitheatrum Flavium of Colosseum is het grootste amfitheater van de Romeinse wereld. Het bood plaats aan ongeveer 50.000 toeschouwers. De hoogte van de buitenmuur bedraagt 48,5 meter; de afmetingen van de assen van de ellips, buitenmuren inbegrepen, zijn 188,77 meter en 156 meter; de afmetingen van de assen van de arena zijn 86 meter en 54 meter; de omtrek van het gebouw bedraagt 527 meter. De hoeveelheid travertijn, nodig om het Colosseum op te trekken, overschreed de 100.000 kubieke meter. De travertijnblokken werden op elkaar gestapeld en met ijzeren klemmen aan elkaar vastgeklonken niet gemetseld! De hoeveelheid ijzer die nodig was om alle klemmen te maken, woog 300.000 kg. Bij de bouw werd het principe gehuldigd dat de buitenmuur de decoratieve expressie moest zijn van de inwendige ordonnantie. Dat principe was niet nieuw, want het was al toegepast in het theater van Marcellus en wellicht ook in de thans verdwenen theaters van Pompeius en Balbus.

De buitenmuur vertoont vier lagen: de onderste drie met telkens 80 bogen, de vierde en bovenste met kleine vierkante ramen, 40 in totaal. De bogen worden begrensd door halfzuilen: Dorische beneden, Ionische op de eerste en Corinthische op de tweede verdieping. Op de derde verdieping zijn ook platte Corinthische halfzuilen aangebracht.

De muur van het maenianum summum heeft, op 2/3 van de hoogte, tussen elke twee platte halfzuilen, drie uitspringende stenen: stutblokken, waarop houten masten konden rusten, die vastgehouden werden in ronde openingen in de kroonlijst, boven de stutblokken. Er waren dus in totaal 240 houten masten, die dienden om het zeil te spannen dat de toeschouwers tegen de zon moest beschermen. Het bedienen van dat zeil was toevertrouwd aan een afdeling matrozen van de militaire haven van Misenum, die in de Castra Misenatium in de buurt van het amfitheater overnachtten.

Van de bogen van de benedenverdieping (80 in totaal) gaven er 76 toegang tot de trappen, die leidden naar de verschillende delen van de zitplaatsen. Een complex systeem van trappen en uitgangen (vomitoria) zorgde voor de snelle evacuatie van de toeschouwers. Boven alle bogen van de benedenverdieping (behalve vier) was een nummer aangebracht dat de bezoeker ook op zijn tessera (ticket) terugvond. Die nummers gingen van I tot LXXVI, want de bogen op de assen van het gebouw droegen geen nummer; ze onderscheidden zich van de andere bogen doordat ze voorzien waren van een portiek. De bogen XXIII tot LIIII bleven bewaard.

In de loop der eeuwen, na de val van het West-Romeinse keizerrijk heeft het Colosseum enorm te lijden gehad, onder andere van aardschokken, zoals die van 443. In 523 werd het Colosseum voor het laatst gebruikt; toen kreeg consul designatus Maximus van Theoderik de toestemming om zijn ambtsaanvaarding te vieren met een venatio.

In de Middeleeuwen werd het Colosseum, samen met de boog van Constantijn en de tempel van Venus en Roma, ingewerkt in het fort dat de adellijke familie der Frangipani in Rome betrok. Ondertussen benutte de bevolking de stenen van het Colosseum voor de bouw van woningen en paleizen en werden de ijzeren klemmen zorgvuldig uit de muren gepeuterd, vanwaar de talloze gaten die nu nog de gevel ontsieren. In de Renaissance werden die praktijken vrolijk verder gezet, zodat het resultaat van die roofbouw vandaag gewoon hallucinant is: drie vijfden van de buitenmuur zijn verdwenen, zowat alle marmer is weggehaald en wat overblijft is een droevig stemmende ruïne, waarbij de verbeelding wonderen moet verrichten om het gebouw iets van zijn vroegere luister te kunnen terugschenken.

Aan de systematische plundering van het Colosseum kwam pas in 1750 een einde, toen paus Benedictus XIV het Colosseum wijdde aan de nagedachtenis van de christenen die er (volgens de overtuiging van die tijd) de marteldood gestorven waren. In het begin van de negentiende eeuw (1820) werden de noodzakelijke herstellingswerken uitgevoerd door Valadier, onder het pontificaat van Pius VII.
 

3. Andere amfitheaters

* Pompei

Volledig anders van concept dan de buitenmuur van het Colosseum is de buitenmuur van het amfitheater in Pompei. In die stad was het amfitheater gedeeltelijk aangebouwd tegen een hoek van de stadswallen en gedeeltelijk uitgegraven in de grond; het dateert uit 80 voor Christus. De buitenmuur vertoont de klassieke bogen (om steen uit te sparen), maar slechts een rij. Bovendien zijn de toegangstrappen tegen de buitenmuur aangebouwd. Onder de arena zijn er geen kelders.

De cavea van het amfitheater van Pompei is gedeeltelijk bewaard gebleven; ze bood plaats aan 20.000 personen. De bovenste galerij was voorbehouden aan vrouwen. Het podium beneden was verdeeld in loges, van elkaar gescheiden door stenen muurtjes. Alle zitplaatsen in het amfitheater van Pompei waren genummerd.
 

* Pozzuoli

Pozzuoli bezit de gaafst bewaarde stenen arena, met quasi intacte substructies. Overal in de arena zijn er kleine, vierkante openingen, die met valdeuren werden afgesloten. Langs die openingen werden wilde dieren, gladiatoren, decors en eventueel ander toebehoren vanuit de ingewanden van de arena tot op het niveau van de arena gehesen. Voor grotere stukken decor beschikte men over de reusachtige, met balken afgesloten grote sleuf in het midden van de arena. In de gewelven onder de arena liepen, onder de openingen, diepe gangen; daarin stonden liften opgesteld om het omhoog brengen van het toebehoren mogelijk te maken.

Zoals het Colosseum in Rome werd ook het amfitheater van Pozzuoli onder de regering van de Flavische keizers gebouwd, en alles wel beschouwd gaat het hier dus ook om een 'Amphitheatrum Flavium'.
 

b. De activiteiten

1. De venatio

* Geschiedkundig overzicht

Het eerste jachtschouwspel of venatio had in Rome plaats in 186 voor Christus: er werden leeuwen en panters gedood. In 169 was er een venatio met 63 "dieren uit Afrika", met 40 beren en met enkele olifanten. Na de verwoesting van Carthago in 146 wedijverden de vooraanstaanden van de staat met elkaar om zo schitterend mogelijke venationes te geven: hoe meer dieren, hoe liever, en liefst heel zeldzame!

In 58 oogstte Marcus Aemilius Scaurus veel succes toen hij dieren uit Egypte liet aanvoeren: een nijlpaard en vijf krokodillen. Pompeius liet in 55 een neushoorn, een lynx en een zeldzame Ethiopische aap aanrukken. In 46 scoorde ook Caesar hoog door een giraf te laten opdraven. Augustus liet 26 venationes organiseren en het gebruik om het volk op venationes te vergasten, zou de hele Keizertijd door blijven bestaan.
 

* Organisatie

Venationes werden meestal georganiseerd bij elke gelegenheid waarbij het publiek op een gladiatorengevecht werd vergast, indien de organisator en sponsor van de spelen tenminste niet terugschrok voor de bijkomende kosten: die liepen inderdaad nogal hoog op...
 

* Aantal, soort en opsmuk van de dieren

Het aantal dieren dat men de arena injoeg, hing natuurlijk nauw samen met het belang van de spelen die men gaf. Zo waren er 3.500 dieren voor de 26 venationes die Augustus liet organiseren, een gemiddelde van 134 per venatio. Caesar liet er in een keer 400 "optreden", Pompeius 500... Bij de inhuldiging van het Colosseum onder Titus lopen de cijfers uiteen van 5.000 tot 9.000 dieren, gespreid over honderd dagen. Trajanus liet in 106 liefst 11.000 dieren ombrengen in de arena. In de kleinere steden lagen die cijfers natuurlijk veel lager: daar sprak men met trots over twee beren en enkele andere dieren!

De Romeinen beschouwden het vangen en doden van dieren als een plicht: op die manier werden verre provincies verlost van dieren die de kolonisatie in de weg konden staan en werden ook Italië en de dichterbij gelegen landen bevrijd van gevaarlijke klanten als beren en wolven.

Welke soorten dieren deden zo hun verschijning in de arena? Waarlijk een zeer heterogeen gezelschap: everzwijnen, herten, reebokken, stieren, hazen, panters, luipaarden, leeuwen, struisvogels, olifanten, hyena's, wilde ezels, antilopen, gazellen, nijlpaarden, krokodillen, giraffen, apen, tijgers, elanden, lynxen, neushoorns, ...

De gewoonte van de Romeinen om hun offerdieren rijkelijk te versieren gold ook voor dieren die voor een venatio bestemd waren. Zo waren er leeuwen waarvan de manen met goudschilfertjes bestrooid waren en roofdieren die behangen waren met metalen plaatjes. Men zorgde er natuurlijk wel voor dat deze versiering geen hinderpaal kon vormen, noch voor het dier in zijn bewegingen, noch voor de jagers om het dier te kunnen doden. Op sommige afbeeldingen in verband met venationes is bij dieren op de schoft een ring te zien, die met riemen op zijn plaats werd gehouden en die diende voor de bevestiging van versiering. Met dat versieren ging men soms nogal ver: ooit werden 300 struisvogels rood geverfd...
 

* Het gevecht

Doel van het gevecht met dieren was natuurlijk dat elke dodelijke speerworp zo aantrekkelijk en pathetisch mogelijk zou zijn en ervoor te zorgen dat het aantal dieren dat voorhanden was, volstond om een maximale duur van het schouwspel te waarborgen.

Het was een kunst apart het geblaseerde publiek te blijven boeien. Oorspronkelijk verschenen leeuwen geketend, omdat de plaats waar de venationes plaatshadden de veiligheid van het publiek niet kon waarborgen; Sulla maakte aan deze wijze voorzorgsmaatregel een einde, zodat het publiek altijd de kans liep mee te kunnen "spelen"...

Elk dier had verscheidene jagers tegenover zich wanneer het alleen in de arena verscheen. Ook gevechten van dieren onderling wekten grote belangstelling: een olifant tegen een stier, een neushoorn tegen een beer, een leeuw tegen een tijger enz. Meermaals werden twee dieren met een lange koord aan elkaar vastgemaakt, ook indien ze mensen als tegenstanders hadden. Eerst vochten de dieren dan tegen elkaar, waarna de jagers de overwinnaar stijlvol afmaakten. Soms werden ook meerdere dieren van dezelfde soort of verschillende soorten dieren terzelfdertijd in de arena losgelaten. Uitschieter was de slachting van 100 leeuwinnen, 100 luipaarden, 100 leeuwen en 300 beren tijdens een enkele venatio ten tijde van keizer Probus (die zelf aan de jacht deelnam).

Als een dier om een of andere reden niet uit zijn kooi durfde komen, werd het daartoe uitgenodigd met zweepslagen of gloeiende ijzers. De jagers werden vaak bijgestaan door speciaal afgerichte honden.

Naarmate de jaren verstreken, nam de acrobatie in de arena een alsmaar belangrijker plaats in. De acrobaten hielden het publiek in spanning door hun waaghalzerijen te midden van de wilde dieren.

Na afloop van een venatio is het wel eens gebeurd dat het publiek de krengen van de dode dieren mocht meenemen naar huis. Normaal werden de krengen echter weggesleept met spannen runderen langs de Porta Libitinaria (de doodspoort) van het amfitheater.
 

* Het vangen en vervoeren van wilde dieren

De vraag naar wilde dieren was enorm; gedurende zeven eeuwen hadden prominenten in zowat heel het Romeinse rijk dieren nodig voor de spelen die ze wensten te geven. Wilde dieren waren dan ook een belangrijk handelsproduct!

De dieren, die via klopjachten gevangen waren met netten, valkuilen of lasso's, werden bijeengebracht in een vivarium, een soort wildpark, tot ze vervoerd konden worden. Het vervoer over land gebeurde met zware wagens, getrokken door runderen. Over water werden speciaal daartoe ingerichte schepen ingezet. Het verlies aan dieren door ziekten, schipbreuken enz. was zeker niet onaanzienlijk. Aangezien de keizers niet afhankelijk wilden zijn van de grillen van het lot in verband met de levering van dieren voor hun spelen, was er in Rome steeds een groot aantal dieren (met daarop toezicht houdend personeel) aanwezig. De keizers zetten in de provincies het leger in om dieren te vangen; daardoor verwierven de soldaten evenveel sympathie bij de plaatselijke bevolking (die van gevaarlijke dieren bevrijd werd) als door de aanleg van bruggen en wegen.

Een deel van de gevangen dieren werd ter plaatse "verbruikt" in venationes; een ander deel moest naar Rome gestuurd worden. De steden waar de konvooien met dieren langskwamen, moesten die dieren onderhouden zolang ze op hun grondgebied waren. Eenmaal ter bestemming werden de dieren opnieuw in een vivarium ondergebracht; het vivarium van Rome lag waarschijnlijk in de buurt van de Porta Praenestina.

De jagers verbleven in de Ludus Matutinus (de ochtendschool, zo genoemd omwille van het matinale uur van hun optreden), niet ver van de Ludus Magnus (de gladiatorenschool naast het Colosseum). Vandaar werden de jagers en de gekooide dieren naar het amfitheater gebracht langs een ondergrondse gang, die het Colosseum met de Ludi (scholen) verbond.
 

* Terechtstellingen tijdens de venationes

Een door de toeschouwers erg gewaardeerd toemaatje bij de venationes was de terechtstelling van mensen die ad bestias veroordeeld waren, een ideetje dat uit Carthago was komen overwaaien.

De eerste terechtstelling van de damnati ad bestias had plaats in 168, na de slag van Pydna; een tweede "show" was te zien na de val van Carthago in 146. Bij beide gelegenheden waren het gedeserteerde soldaten van de hulptroepen die de twijfelachtige eer genoten het Romeinse volk te mogen vermaken. Terwijl de venatores hun stiel geleerd hadden in de Ludus Matutinus, gewapend in de arena verschenen en dus alle kansen hadden om de arena levend te verlaten, hadden de veroordeelden ad bestias echt geen schijn van kans: ze werden naakt, vaak de handen op de rug gebonden, een koord om de nek, in de arena binnengebracht, waar de venatores hun beulen waren en waar ze als prooi dienden voor wilde dieren... Meermaals speelden de veroordeelden een rol in een of andere mythe uiteraard de rol van diegene die op een nogal onplezierige manier aan het kortste eindje trok.
 

2. De ludi gladiatorii of munera

* Wie kon gladiator zijn?

Vooreerst waren er de ter dood veroordeelden, de damnati ad gladium; vervolgens diegenen die tot dwangarbeid veroordeeld waren (die konden inderdaad gedwongen worden hun straftijd als gladiator uit te boeten. Ook slaven konden door hun meester gedwongen worden het beroep van gladiator uit te oefenen; pas keizer Hadrianus (117-138) zal dat verbieden. En tenslotte waren er diegenen die vrijwillig dienst namen als gladiator; ze kwamen zowel uit de rangen van de vrijgeborenen als uit die van de vrijgelatenen.
 

* Einde van de gladiatura

De duur van de gladiatura was afhankelijk van de opgelopen veroordeling of van het afgesloten contract. Vast staat dat de gladiator vrijgesteld was van de verplichting om op te treden in het amfitheater zodra hem de rudis (een houten zwaard) overhandigd was als symbool van die vrijstelling; van dan af was hij rudiarius. Die vrijstelling gold alleen voor zijn optreden in de arena, niet voor zijn verblijf in de ludus of gladiatorenschool: dat verplicht verblijf daar bleef doorlopen tot het einde van zijn veroordeling of tot het einde van zijn contract. Als dat afgelopen was, kreeg de gladiator de pileus, de muts die ook voor slaven het symbool was van de invrijheidstelling.

Voor slaven die door hun meester tot de gladiatura gedwongen waren, was de wil van de meester bepalend voor het einde van de gladiatura.

Een gladiator die einde contract was, kon ook een nieuw contract afsluiten, wat soms erg winstgevend was als hij beroemd en populair geworden was.
 

* Staat van dienst

Inscripties over gladiatoren geven vaak volgende details: het totaal aantal gevechten dat de gladiator geleverd had; het aantal behaalde overwinningen (palma of corona); het aantal gevechten dat de gladiator op "gelijk spel" beëindigd had (stans missus); het aantal gevechten waarbij de gladiator het onderspit gedolven had maar begenadigd werd (missio).
 

* Nationaliteit van gladiatoren

Gladiatoren waren afkomstig van alle hoeken van het Romeinse rijk: er waren Romeinen bij, Galliërs, Thrakiërs, Daciërs, Sueben, Britanniërs, Goten, Alanen, Roxolanen, Sarmaten, Franken, Vandalen, Germanen, Ethiopiërs, Saksen, Numidiërs, enz.
 

* Eigenaars van gladiatoren

Van in de tijd van de Republiek bezaten vele rijken een familia of gladiatorentroep die instond voor hun veiligheid en bescherming en die tevens een goed belegd kapitaal vormde. Dit fenomeen was niet altijd van gevaar gespeend, zoals Spartacus en later Catilina en Caesar bewezen, die een beroep deden op de hulp van gladiatoren om hun politiek doel te bereiken. Daarom werd het bezit van een familia wel beperkt, zonder evenwel ooit geheel verboden te worden.
 

* De lanista

De handel in of het verhuren van gladiatoren was in handen van wie een familia bezat. Als iemand daarvan zijn enige bron van inkomsten maakte, was hij een lanista, wat etymologisch "verkoper van mensenvlees" zou betekenen.
 

* De opleiding

Wie als gladiator een ludus binnenkwam, werd onmiddellijk ingedeeld bij een bepaalde soort gladiatoren en toegewezen aan een doctor, een opleider, meestal een ex-gladiator. De volledige opleiding werd er gewerkt met houten wapens om te vermijden dat de gladiatoren nodeloos zouden gekwetst raken.
 

* Soorten gladiatoren

Samniet: lang schild, helm met hoge kam, zwaard (soms lans).
Secutor: lang schild, helm met gladde bovenkant, zwaard (soms lans). Hij kwam uit tegen de retiarius; de gladde helm moest beletten dat het net van de retiarius te gemakkelijk zou blijven vastzitten.
Hoplomachos: lang schild, zwaard. Hij komt uit tegen de Thrakiër.
Provocator: lang schild, lang zwaard.
Retiarius: "netwerper"; met zijn net, dat met een lang koord aan zijn middel bevestigd was, probeerde hij het hoofd van zijn tegenstander te omwikkelen om hem vervolgens aan te vallen met zijn drietand, of met zwaard of dolk. Zijn bescherming bestond uit een armplaat op de linkerarm en de galerus, een schouderplaat op de linkerschouder, met een soort kam erop om het hoofd te beschermen (een retiarius droeg immers geen schild!). Hij komt uit tegen de secutor of tegen de murmillo.
Thrakiër: klein rond of vierkant schild, krom zwaard. Hij komt uit tegen de hoplomachos of tegen de murmillo.
Murmillo: de naam is afgeleid van de naam van een vis (murmo is een marmerbrasem), waarvan hij een afbeelding op de helm droeg. Zijn wapens zijn een schild, helm en zwaard (soms een lans). Hij komt uit tegen de retiarius, de provocator of de Thrakiër.
Dimachairos: vecht met twee lange messen.
Veles: vecht met een speer die hij kan terughalen met een lange lederen riem die aan de speer is vastgemaakt.
Essedarius: vecht vanop een wagen, zoals de Britanniërs. Ze komen paarsgewijs tegen elkaar uit.
Eques: vecht te paard. Hij heeft een helm met vizier, een lans en een rond schild.
Laquearius: vecht blootshoofds, met een galerus (cfr. de retiarius). Zijn wapens waren een lasso en een stok om de slagen van zijn tegenstander te pareren.
Andabata: volledige maliënkolder; hij vecht geblinddoekt of met een helm zonder vizier.
Sagittarius: vecht met pijl (sagitta) en boog.
Paegniarius: is geen gladiator in de echte zin van het woord, omdat hij met ongevaarlijke wapens vecht. Paegniarii traden op na de venatio van 's morgens, vóór het begin van de eigenlijke gladiatorengevechten. Hun optreden heet ludus meridianus, omdat het over de middag plaatsgreep.
 

* Het programma van de ludi gladiatorii

De aankondiging van het programma van gladiatorenspelen werd op de muren van de huizen van de stad geschilderd. Een aankondiging omvatte de gelegenheid ter ere waarvan de spelen werden georganiseerd, de naam van diegene die de spelen bekostigde (de editor), het aantal paren gladiatoren dat zou optreden, de naam van de stad waar de spelen zouden plaatsvinden en tenslotte de attracties die de spelen zouden begeleiden (zoals de venatio, de sparsio of uitstrooiing van geschenken onder het publiek, of er zeilen zouden gespannen worden om de toeschouwers tegen de felle zon te beschermen, enz.).
 

* De vooravond van de spelen

De vooravond van de spelen werd aan de gladiatoren een rijkelijk voorziene dis (cena libera) aangeboden door de editor, de man die de spelen bekostigde. Het publiek mocht tijdens die maaltijd naar de gladiatoren komen kijken.
 

* De spelen

De gladiatoren deden in vol ornaat (in parade-uitrusting) hun intrede in de arena tijdens een feestelijke optocht (pompa). Vervolgens deden ze opwarmingsoefeningen met ongevaarlijke wapens (arma lusoria). Als de eigenlijke gevechten moesten aanvangen, werden de echte wapens binnengebracht (arma pugnatoria); ze werden op hun scherpte onderzocht door de editor van de spelen om te vermijden dat sluwe gladiatoren via een schijndood hun vege lijf zouden proberen te redden.

Dan werden de gladiatoren in het openbaar tegen elkaar uitgeloot, dit om afspraakjes vooraf onmogelijk te maken. Met muziekinstrumenten werd het sein gegeven om het gevecht te beginnen (trompet, hoorn, fluit of orgel). Na de groet aan de editor (ave, ... , morituri te salutant = gegroet, ..., zij die gaan sterven, groeten jou) begonnen de duels.

Een gevecht kon op verschillende manieren eindigen. Zo kon een van de gladiatoren dood in de arena blijven. Of een moest zich gewonnen geven; in dat geval legde hij de wapens neer, ging op de grond liggen en stak de arm op ten teken van overgave en om genade te vragen. Het hing dan van de editor af of de gladiator begenadigd werd (missio), maar meestal liet de editor zich leiden door wat de toeschouwers vroegen. Die maakten hun mening bekend door een vinger in de lucht te steken of met een zakdoek te zwaaien indien ze missio wensten; de genadestoot vroegen ze door de duim naar de grond te keren. In het laatste geval strekte de overwonnen gladiator zijn keel opdat de toeschouwers de genadestoot goed zouden kunnen volgen (wat een beroepsernst!). Derde mogelijkheid was dat beide gladiatoren even sterk waren en er niet in slaagden elkaar te overwinnen; vaak vroeg het publiek dan missio voor beiden en als de editor het daarmee eens was, kregen de beide gladiatoren een stans missus (rechtopstaand begenadigd). Vaak echter werd de overwinnaar van een gevecht opnieuw in de arena ingezet tijdens dezelfde spelen, tegen een frisse tegenstander, wat uiteraard zijn kansen op succes fel compromitteerde. Af en toe werden gladiatoren groepsgewijs tegen elkaar ingezet in plaats van paarsgewijs.

Dode gladiatoren werden door slaven van het amfitheater, gekleed als Charoon of als Hermès Psychopompos, weggehaald. Vooraf raakten ze het lichaam aan met een roodgloeiende pook om er zich van te vergewissen of de dode wel echt dood was en zich niet dood voordeed. De poort waarlangs de doden werden afgevoerd, heette Porta Libitinaria; de lijken werden naar de ludus gebracht, waar ze in het spoliarium werden gelegd. In geval van overwinning hadden de gladiatoren recht op een zegepalm, waarmee ze een ereronde aflegden. Ook beloningen in geld waren schering en inslag: die werden in de arena in aanwezigheid van het publiek uitbetaald.
 

c. Excerpta uit Martialis' "Liber spectaculorum"

Enkele tafereeltjes, die zich anno 80 in het Colosseum hebben afgespeeld, wil ik jullie niet onthouden. Ze werden gedicht door Marcus Valerius Martialis, gebundeld in een boek dat hij Liber Spectaculorum noemde (Boek der Schouwspelen); dat boek droeg hij op aan de keizer.

Om deze gedichten volledig te kunnen begrijpen moet je in een boek over Griekse mythologie wel eerst het verhaal lezen over de figuur, die in het gedicht behandeld wordt en waarvan de belevenissen in de arena werden uitgebeeld.

V
Geloof maar dat Pasiphaè gepaard heeft met de stier van Kreta: wij hebben het met eigen ogen gezien! Het oude verhaal heeft dus aan geloofwaardigheid gewonnen...
 

VI
Dat de oorlogszuchtige Mars (= een mannelijke gladiator) jou met zijn wapens dient, dat volstaat niet; ook Venus zelf (= een vrouwelijke gladiator) dient jou!
 

VII
Zoals Promètheus, vastgekluisterd aan de Skytische rots, de nooit afgevende vogel heeft gevoed met zijn immer aangroeiende lever, zo heeft Laureolus (= een ad bestias damnatus), aan zijn kruis hangend, zijn naakte ingewanden prijsgegeven aan een Schotse beer. De lillende ledematen leefden nog terwijl het vocht uit zijn darmen druppelde, en in heel dat lichaam kon je eigenlijk geen lichaam meer herkennen...
 

VIII
Daedalus (= een ad bestias damnatus), nu je uiteengereten wordt door een Lucanische beer, hoe vurig had je nu gewenst vleugels te hebben!
 

IX
Een neushoorn heeft je in de arena een gevecht gebracht dat je niet verwacht had, keizer. Hoe verschrikkelijk ontbrandde hij in woede, de hoorn vooruit! Hoe groot was de stier - maar voor de neushoorn was de stier niet meer dan een voddenpop!
 

XIV
Een hoogzwangere zeug werd door een jachtspies gekwetst en uit die wonde kroop een biggetje: door de wonde werd ze moeder! Maar het biggetje bleef niet liggen zoals de moeder - nee, het liep weg!
 

XXI
Wat, naar men vertelt, het Rhodopègebergte in het geval van Orpheus heeft gezien, dat heeft de arena aan jou getoond, keizer. Rotsen kropen nader, bomen (wonderlijk om zeggen) liepen! Een troep wilde dieren, samen met vee, luisterde naar Orpheus, en boven de zanger hing menige vogel te luisteren. Daar ligt de zanger zelf nu, uiteengereten door een barbaarse beer. Slechts dit vertelde het oude verhaal ons niet: de beer, die Orpheus zou uiteenrijten, was uit de aarde gekomen - hij kwam van Eurydikè...

XXVI
Een volgzame rei Nereïden speelde op het ganse wateroppervlak, en beschreef in steeds wisselende formaties figuren op het water: een drietand met rechte tanden, een anker met kromme tanden; we meenden roeiriemen te zien, we dachten een schip te zien, we zagen het sterrenbeeld van de Tweelingen fonkelen en we zagen het brede zeil bol gaan staan door de wind.

Terug naar de inhoudsopgaaf