Terug naar de inhoudsopgaaf

HET DAGELIJKS LEVEN IN HET OUDE ROME

4. ONTSPANNING IN HET OUDE ROME

C. DE WEDRENNEN IN DE CIRCUS

In de Vallis Murcia, het dal tussen de Palatijn en de Aventijn, waren van oudsher spelen georganiseerd; Romulus zelf zou daar spelen gegeven hebben om de Sabijnse maagdenroof mogelijk te maken. In die vallei ontwikkelde zich de Circus Maximus. Daar werden, in de republikeinse tijd, behalve wagenwedrennen, ook venationes (jachtspelen) en gladiatorengevechten georganiseerd, die later evenwel naar het amfitheater zouden verhuizen.

De wagenwedrennen, de geëigende activiteit van de Circus Maximus, konden vanaf de eerste eeuw vóór Christus op een stijgende populariteit bogen. De vier renstallen (de groenen, de witten, de roden en de blauwen) werden allengs rivaliserende teams met harde supporterskernen en hun rivaliteit werd door diezelfde supporters soms ook buiten de circus meegedragen en daar dan uitgevochten.

De Circus Maximus was de ideale plaats om er wagenwedrennen te laten doorgaan. De oude Circus Flaminius op het Marsveld en de Circus van Caligula naast de Vaticaanse heuvel werden, in vergelijking met de Circus Maximus, maar met mondjesmaat gebruikt. In de Circus Maximus konden, naargelang van de berekeningen, 150.000 of 250.000 toeschouwers een zitplaats vinden.

Het gebouw had pas na verloop van eeuwen zijn definitief uitzicht gekregen, toen de houten tribunes door stenen werden vervangen en de aarden spina (die in de lengteas van de renbaan lag) een stenen spina werd. De Circus Maximus bezat een lange arena (370 m op 83 m) die zich uitstrekte tussen twee lange zijden (die bestemd waren voor de toeschouwers) en twee korte zijden (waarvan de ene gebogen was en eveneens bestemd was voor toeschouwers, en de andere recht was. Daar stonden de starthokken opgesteld (carceres). Aan de noordelijke kant (de kant van de Palatijn) was, ter hoogte van de eindmeet, de keizerlijke loge, die in direkte verbinding stond met het paleis op de Palatijn. Aan de gebogen oostelijke kant was er een triomfboog waarlangs de plechtige optocht (pompa) vóór de aanvang van de spelen de renbaan binnenkwam.

De spina, die de arena in twee verdeelde volgens de lengteas, was rijk versierd met standbeelden en fonteinen, maar ook met twee obelisken. De ene was die van Ramses II, door Augustus in 10 vóór Christus naar Rome gebracht (hij staat nu op de Piazza del Popolo), de andere die van Thotmes III, door Constantius II in 363 naar Rome gebracht (hij staat nu op de Piazza di San Giovanni in Laterano). Aan de uiteinden van de spina verrezen twee tempeltjes, waarvan het ene bovenaan versierd was met zeven reusachtige eieren van verguld brons en het andere met evenveel dolfijnen, eveneens van brons. Door van elk van beide groepen telkens een ei weg te nemen of een dolfijn te laten kantelen, wisten zowel de menners als het publiek hoeveel ronden er reeds waren afgelegd en hoeveel er nog moesten afgelegd worden.

Die zeven ronden van elke wedstrijd werden afgelegd door paarden die een zeer licht wagentje voorttrokken, waarop de menner (auriga) stond. Hij mende soms twee, maar meestal vier paarden (vanwaar de namen van zulke spannen: biga en quadriga). De teugels had hij rond het lichaam of minstens rond de bovenen onderarmen gedraaid om een optimaal contact met het span te bekomen.

De wedstrijd bestond erin, zoals reeds gezegd, om als eerste de zeven ronden van de arena te hebben afgelegd, in tegenwijzerzin, vanzelfsprekend aan een zo hoog mogelijke snelheid, zo dicht mogelijk tegen de 214 m lange spina, en zo kort mogelijk draaiend langs de metae, de eindpunten van de spina. Vooral hier kwam de vaardigheid van de menner boven, want hoe korter hij deze bochten kon nemen, hoe kleiner de totale afstand van de zeven ronden werd, maar hoe groter tevens het risico werd dat de menner met zijn wagentje de meta zou raken. Als dat gebeurde, ging het wagentje gegarandeerd over kop en werd de menner door de paarden meegesleurd, omdat hij vaak niet de tijd had gevonden om de teugels die hem met het span verbonden, door te snijden. De gevolgen van zo'n ongeval waren van die aard dat het voor de betrokken menner niet voor herhaling vatbaar bleek.

Tijdens de wedstrijd was elke smerige truc geoorloofd, tot groot jolijt van het publiek: elkaar de pas afsnijden, elkaar of elkaars paarden er met de zweep van langs geven, de tegenstrever van rechts insluiten en hem tegen de meta te pletter laten rijden, kortom, alle gags waren welkom.

Het spektakel begon met een plechtige intrede en optocht van alle deelnemers; het eigenlijke startsein van de race werd gegeven door een witte zakdoek te zwaaien, te midden van een doodse stilte. Maar nauwelijks waren de spannen uit hun boxen (carceres) weggeschoten of een oorverdovend gejuich, geroep en gejoel stegen op die bleven voortdonderen tot de eindmeet overschreden was.

Er waren, zoals hoger aangestipt, vier renstallen: de groenen, de roden, de witten en de blauwen. Tijdens de wedstrijd droegen de menners een tunica (uniform) in de kleur van hun "stal", met daarover een lederen harnas; een helm, kniebeschermers en beenplaten vervolledigden de uitrusting.

De menners en de paarden waren soms echte idolen. De paarden hadden natuurlijk een eigen naam en de namen van beroemde paarden waren door iedereen in Rome gekend. Zo schrijft Martialis in verband met zijn eigen (overigens ruime) bekendheid (Epigrammen X 9):

"Ik ben erg bekend in de hele wereld. Maar waarom is iedereen daarom zo jaloers op mij? Ik ben toch niet beroemder dan het paard Andremoon?"

Ook menners genoten een ongekende populariteit. Vaak kwamen ze uit de laagste bevolkingsgroepen, wat hen bij de grote massa natuurlijk sympathiek maakte. Langzaam hadden ze zich opgewerkt tot ze, dankzij hun loon, premies en ontvangen geschenken, ongehoord rijk waren geworden. Maar vaak ook sloeg de dood ongenadig hard toe en op soms jeugdige leeftijd werden sommige menners uit hun gevaarlijk leven weggerukt.

De beroemdheid van menners blijkt onder meer uit een grafinscriptie van een menner uit de blauwe stal, een zekere Crescens, uit de tijd van keizer Trajanus. Hij had aan 686 wedstrijden deelgenomen, waarvan hij er 46 had gewonnen. Van die 46 gewonnen wedstrijden had hij er 38 van start tot finish aan de leiding gereden en in 8 had hij een initiële achterstand opgehaald. In een carrière van amper 10 jaar had Crescens meer dan anderhalf miljoen sestertiën verdiend!

Dat bekakte intellectuelen niet zeer hoog opliepen met de circusspelen, mag blijken uit een brief van Plinius de Jonge aan Calvisius. Plinius verblijft in Rome en laat Calvisius in Como weten hoe hij zijn vrije tijd in de Eeuwige Stad doorbrengt (Epistula IX 6).

"Al mijn vrije tijd heb ik te midden van mijn aantekeningen en boeken in zalige rust doorgebracht. 'Hoe was dat mogelijk?' zul je zeggen, 'Hoe kon dat in Rome?' Er waren inderdaad circusspelen, maar je weet dat ik niet in het minst geboeid word door dat genre van spektakel. Nooit zie je iets nieuws, nooit zie je iets origineels, nooit zie je iets dat de moeite loont om het nogmaals te zien. Dat is ook de reden waarom ik me erover verwonder dat zoveel duizenden volwassenen als echte kinderen telkens weer lopende paardjes willen zien en mannetjes die op wagentjes staan die door paardjes worden voortgetrokken.
Let wel: ik zou ze geen ongelijk kunnen geven als ze in vervoering werden gebracht door de snelheid van de paarden of door de vaardigheid van de menners. Maar nu juichen ze voor een gekleurde tunica, ze aanbidden een kleur, ze schreeuwen zich schor voor man en paarden van die stal. Maar weet je wat er gebeuren zou als midden in de wedstrijd, in het vuur van de strijd, de ene kleur naar het andere span en de andere kleur naar het ene span zou overgaan? Juist! Hun fanatiek geschreeuw zou mee overgaan en zonder meer zouden ze menner en paarden voor wie ze nu als bezetenen supporteren, als een baksteen laten vallen, ook al kennen ze elk paard en ook de menner bij naam: dat is de almacht van zo'n stuk gekleurde stof!
Ach, ik kan nog begrijpen dat het gewone volk daarmee aan zijn trekken komt; dat is immers nog stommer dan de stof van de tunica. Maar sommige ernstige mensen... Als ik bedenk dat die gefascineerd toekijken naar zo'n inhoudloos, dom gedoe, dan geeft het mij grote voldoening dat ik daar geen voldoening in vind. Ik besteed met veel plezier mijn tijd aan de literatuur, terwijl anderen hun tijd verprutsen met domme dingen. Stel het wel."

Terug naar de inhoudsopgaaf