Terug naar de inhoudsopgaaf

HET DAGELIJKS LEVEN IN HET OUDE ROME

4. ONTSPANNING IN HET OUDE ROME

E. DE THERMEN

 De bouw van de grote thermencomplexen van Rome begon met Agrippa, Augustus' schoonzoon; zijn thermen bevonden zich achter het Pantheon (er is niet veel bewaard gebleven). De traditie werd verdergezet door Nero (zijn thermen lagen naast de Piazza Navona), Titus (zijn baden waren een uitbreiding van de thermen van Nero's Domus Aurea of Gouden Huis), Trajanus (zijn thermen bevonden zich op de Oppiusheuvel), enz.

De toegang tot de thermen was ofwel gratis, ofwel werd een minieme vergoeding gevraagd. De thermen stonden open voor de ganse bevolking van Rome: armen en rijken, aristocraten en volksmensen, jongeren en ouderen, vrijen en slaven, mannen en vrouwen. De openbare thermen hadden, in tegenstelling tot de privé-thermen, binnen ieders bereik gebracht wat tot dan toe het privilege van enkelingen was geweest: het dagelijks (warm) bad. Met de bouw van de hoger vermelde complexen vanaf de vroege Keizertijd had het badritueel het eindpunt van een lange evolutie bereikt en werd ook het thermencomplex in een definitieve vorm gegoten.

Het badritueel dat aanvankelijk proefondervindelijk gegroeid was en later aangevuld en verbeterd werd door medische en hygiënische voorschriften, bestond in een trapsgewijze opvolging van handelingen en was in de ogen van de Romeinen het ideale proces ter zuivering van het lichaam.

Er waren drie duidelijk onderscheiden stappen: eerst een stevige zweetbeurt waar geen water aan te pas kwam; dan waste men zich het vuil van het lichaam met warm water waarna men tenslotte, na een acclimatisering in een lauwe omgeving, een duik kon nemen in een koudwaterbad. Deze drie stappen konden naar believen voorafgegaan worden door of aangevuld worden met massages, inwrijving met olie en parfum, balspel, worstelen, gymnastiek, enz.

De individuele benodigdheden voor die verschillende stappen waren niet erg talrijk of omvangrijk: handdoek(en), soda (voor het wassen; de Romeinen kenden namelijk geen zeep zoals wij die kennen), een flesje met olie voor het inoliën van het lichaam voor de oefeningen en tijdens de massagebeurten, een flesje met parfum voor na het baden en krabijzers (strigiles) om het lichaam te ontdoen van zweet, stof, zand en olie na de oefeningen in de palaestra (oefenterrein).

Wie het zich kon veroorloven, liet zich door zijn eigen slaven of cliënten vergezellen en helpen tijdens het baden. Wie geen beroep kon doen op cliënten of slaven, kon te allen tijde (mits een kleine vergoeding) de hulp inroepen van het personeel van de thermen (badmeesters, onthaarders, masseurs, enz.). De armsten deden een beroep op elkaar.

Tot in de tijd van Trajanus was er geen enkele wet die vrouwen en mannen verbood samen gebruik te maken van de thermen. Toch bestonden er ook toen reeds kleine thermen waar uitsluitend vrouwen toegelaten waren. Het samen baden van mannen en vrouwen werd evenwel zonder enig voorbehoud getolereerd, hoe vreemd wij dat op het eerste gezicht ook kunnen vinden. Om de onvermijdelijke excessen (Romeinen waren toch ook mensen?) die het samen baden van de twee seksen kon meebrengen tegen te gaan, besloot keizer Hadrianus de thermen beurtelings voor mannen en vrouwen open te stellen, zodat de vrouwen vóór de middag aan de beurt waren en de mannen na de middag.

De thermen waren, als gebouwen, logisch geordend. Men kwam eerst in de ontkleedruimte of apodyterion; deze ruimte kenmerkte zich door uit de wand naar voor stekende banken, verdeeld in diepe, vierkante nissen, ter hoogte van het hoofd. Die nissen dienden als bewaarplaats voor de kleren. Omdat die nissen niet konden afgesloten worden, plaatsten velen die na het baden graag hun kleren hadden teruggevonden waar ze ze hadden achtergelaten, er een slaaf bij op wacht.

Van het apodyterion of ontkleedruimte ging men eerst naar het oefenveld of palaestra voor een portie gymnastiek, worstelen of balspel. Als men zich daar, na het voorafgaande insmeren van het lichaam met olie, in het zweet had gewerkt, werden olie, zweet en vuil eerst van het lichaam gehaald met de strigiles of krabijzers alvorens men naar het warmwaterbad ging.

Het warmwaterbad of caldarium was de plaats voor de eigenlijke wasbeurt met soda. De warmte van de zaal en het water werd geleverd door de hypokausis of verwarmingsinstallatie (met hout of houtskool). De daardoor verwarmde lucht ging via leidingen in de ruimte onder de vloer en tussen de muurstenen van het caldarium. Ter verfrissing stond in elk caldarium een stenen bekken (labrum) opgesteld met een fonteintje met koud water. Een nog hetere behandeling dan in het caldarium kreeg men in het laconicum, een soort sauna; een laconicum of sudatorium (zweetruimte) was echter niet in alle thermen aanwezig.

Na het caldarium kwam men eerst in de ruimte waar men geleidelijk kon wennen aan het verschil in temperatuur tussen het warme en het koude bad; die lauwe ruimte heette tepidarium. Tenslotte arriveerde men in het koudwaterbad of frigidarium, vaak aangevuld met een zeer groot openluchtzwembad (natatio).

In de grote thermen van de Keizertijd waren er ook speciale zalen voorzien voor het gebruik van krabijzers, voor de zalving van het lichaam na het baden, voor massages, voor ontharing, enz.

De versiering van al die verschillende ruimten was bijzonder rijk en het publiek van Rome vond dat niet meer dan normaal, zoals we kunnen opmaken uit een brief van Seneca; daarin beschrijft hij de pracht en praal van de villa (uit het begin van de tweede eeuw voor Christus) die eigendom was van Scipio Africanus, de overwinnaar van Hannibal nabij Zama in 202. Maar als Seneca aan de beschrijving van de baden van die villa gekomen is, noteert hij het volgende (Epistulae morales ad Lucilium, 86 ):

"Maar vroeger was de badinrichting klein en zonder enige versiering. Waarom ook zou men iets wat tot nut en niet tot genot gebouwd was, versierd hebben? Het water borrelde er niet uit de bodem op en stroomde niet onafgebroken als uit een warme bron. Sommige mensen van vandaag zouden Scipio zeker veroordelen wegens zijn boerse smaak, omdat hij geen Numidisch marmer met Alexandrijns marmer afwisselde, geen schitterende mozaïeken afwisselde met geleerde fresco's, omdat hij geen imitatie van watervallen bezat, omdat hij het zonlicht niet met grote spiegels in zijn caldarium bracht, omdat hij daar niet zat te sudderen in zijn warm bad, badend in het licht, en zat te wachten tot hij gaar was.
Wat een lomperik, die Scipio! Wat wist die van verfijnd leven af? Hij baadde zelfs, als het geregend had, in troebel water! Maar wat kon het Scipio schelen dat hij zo baadde? Hij nam een bad om zijn lichaam te zuiveren van zweet, niet van parfum. Hoe denk je dat sommige mensen van vandaag daarop zouden reageren? 'Ik benijd Scipio niet, weet je; wie in die omstandigheden moet baden, leeft als het ware in ballingschap. Stel je voor: je kon in zijn badinrichting zelfs niet bakken in de zon terwijl je een bad nam, en als je op de rand van het zwembad zat, had je geen panorama van de zee naar de ene kant en geen panorama van het platteland naar de andere kant!' Daarbij vergeten die mensen van vandaag maar al te vlug dat de hoge temperatuur van het water in een caldarium van vandaag beter geschikt is om slaven mee te folteren dan om er je lichaam mee te wassen."

Seneca hangt, door die vergelijking, een prachtig beeld op van wat de thermen in de Keizertijd geworden zijn: echte ontmoetingscentra in de ware zin des woords. Er waren grote, open ruimten met lanen, aanplantingen en fonteinen; er waren bibliotheken en vergaderzalen; soms was er zelfs een stadion en een theater. De thermen waren het trefpunt geworden van het mondaine leven want na de gedane dagtaak stroomden alle Romeinen er samen om te baden en de tijd te doden in afwachting van de cena.

In de Keizertijd bezoekt men de thermen dus niet alleen meer om er te baden, om aan zijn fysisch welzijn te denken, maar ook om er een of ander schouwspel bij te wonen, om er naar een voordracht of naar een voorlezing te staan luisteren, om wat te zitten lezen in de bibliotheken, om er kunstwerken te bewonderen, om er te discussiëren over politiek, filosofie of het weer, om er zaken te doen, om er wat te wandelen in de schaduwrijke tuinen, om er dromerig op te gaan in het eeuwig wisselende spel van de zon in het water van de nymphaea... En juist omdat iedereen er aan zijn trekken kon komen, ging in Rome iedereen elke dag naar de thermen.

Terug naar de inhoudsopgaaf