Terug naar de inhoudsopgaaf

HET DAGELIJKS LEVEN IN HET OUDE ROME

INTERMEZZO 3b. DE AQUADUCTEN VAN ROME

1. Voorbeschouwingen

In zijn Naturalis Historia schrijft Plinius de Oude (met overigens rechtgeaarde Romeinse trots) het volgende over de aquaducten:

"Als men de overvloed aan water naar waarde wil schatten, die dagelijks toevloeit in fonteinen, thermen, huizen, zwembaden, tuinen en villa's bij de stad, terwijl men daarbij rekening houdt met de afstand waarover het water wordt aangevoerd en met de aquaducten die men met dat doel heeft gebouwd (waarbij men bogen bouwde in valleien en tunnels groef doorheen bergen) zal men moeten toegeven dat er niets bestaat op aarde dat meer bewondering wekt."

Ook de Griekse auteurs uit de Keizertijd erkenden dat de Romeinen schitterende zaken hadden gerealiseerd en dat die schitterende zaken getuigden van een verbazingwekkend praktisch nut wat bij de Grieken zelf, net zoals bij de meeste oosterse beschavingen, niet het geval was geweest! Zo bv. Strabo in zijn Geografia:

"De Romeinen hebben vooral grote zorg besteed aan drie zaken die de Grieken veronachtzaamd hebben: de aanleg van wegen, de bouw van aquaducten en de constructie van een degelijk rioleringssysteem... De aquaducten brengen inderdaad een overvloed aan water naar de steden, die het dan via watertorens en buizen verder verdelen."

Aquaducten zijn een typisch Romeinse vorm van waterleidingen, die voor een klein deel bovengronds en voor het grootste deel ondergronds lopen. Ze hadden tot doel water uit hoger gelegen streken met een gelijkmatig verval naar de stad te laten stromen, ook over oneffen terrein. Deze ingenieuze maar omslachtige methode moest noodgedwongen aangewend worden omdat men in de oudheid geen drukpompen of zuigpompen kende. De bovengrondse delen van de aquaducten bestonden vooral uit bogen omdat muren te veel druk van de wind zouden opvangen, het landschap zouden schaden en te veel materiaal en geld zouden kosten. Het water liep boven op het aquaduct doorheen een gesloten geul, met bovenaan verluchtingsgaten.

Onze kennis in verband met de aquaducten van Rome is uiterst nauwkeurig en gedetailleerd, en dat is niet alleen te danken aan de opmerkelijke staat waarin sommige aquaducten bewaard bleven maar ook - en vooral - aan het feit dat het boek "De aquaeductibus urbis Romae" tot ons is gekomen. Het werd geschreven door Frontinus, die in 97 na Christus (onder het bewind van keizer Trajanus) het ambt van curator aquarum (directeur van de waterbevoorrading) bekleedde. In zijn werk vat Frontinus de waterbevoorrading van Rome, vanaf de stichting van de stad tot aan de inhuldiging van het eerste aquaduct in 312 als volgt samen (De aquaeductibus urbis Romae, passim ):

"In de 441 jaar die volgden op de stichting van onze stad, haalden de Romeinen hun water ofwel uit de Tiber, ofwel uit putten of uit bronnen. Menige bron is het voorwerp van een cultus (bijvoorbeeld de bron van Juturna op het Forum Romanum) omdat men geloofde dat het water van die bron bepaalde kwalen kon genezen. Thans bevoorraden volgende aquaducten Rome: Aqua Appia, Aqua Anio Vetus, Aqua Marcia, Aqua Tepula, Aqua Iulia, Aqua Virgo, Aqua Alsietina (Aqua Augusta), Aqua Claudia en Aqua Anio Novus."

Later kwamen daar nog twee aquaducten bij: de Aqua Traiana en de Aqua Alexandrina.
 

2. Beschrijving van de aquaducten

(1) Aqua Appia

Het oudste aquaduct werd in 312 naar Rome geleid door censor Appius Claudius Caecus (die ook de Via Appia liet aanleggen). De lengte van het aquaduct (dat bijna volledig ondergronds loopt behalve een korte strook ter hoogte van de Porta Capena) bedroeg 16.561 m. Het kwam Rome binnen ad Spem Veterem, nabij de huidige Porta Maggiore. Vandaar ging het doorheen de Caelius, via bogen over de Porta Capena naar de Aventinus, dan doorheen de Aventinus om nabij de Porta Trigemina op het Forum Boarium te eindigen. De capaciteit van de Aqua Appia bedroeg 73.000 kubieke meter of 73.000.000 liter water per dag.

(2) Aqua Anio vetus

De Aqua Anio Vetus dateert van 272 en werd gebouwd door censor Manius Curius Dentatus. De Aqua Anio Vetus was aanzienlijk langer dan de Aqua Appia (63.640 m), maar liep toch ook bijna volledig ondergronds. Het water kwam van een zijrivier van de Tiber, de Anio, waar het werd opgevangen tussen Vicovaro en Mandela. De Aqua Anio Vetus kwam Rome binnen ad Spem Veterem, ging doorheen de Esquilinus en eindigde in de buurt van het Stazione Termini. De capaciteit van de Aqua Anio Vetus bedroeg 175.920 kubieke meter of 175.920.000 liter water per dag.

(3) Aqua Marcia

De Aqua Marcia dateert van 144 en werd geconstrueerd door praetor Quintus Marcius Rex. Dit aquaduct is ook nu nog een van de belangrijkste wateraders van Rome! Het water kwam eveneens van de Anio, maar van een hoger stromend deel ervan (de bergen bij Carsioli, 54 km ten oosten van Rome). Daardoor bedraagt de lengte van de Aqua Marcia meer dan 91.000 m. Vanaf ad Spem Veterem volgde het aquaduct het huidige tracé van de Aureliaanse muur (die de bogen van het aquaduct gedeeltelijk heeft ingesloten) tot aan de Porta Tiburtina. Vandaar ging het naar de buurt van het Stazione Termini. Enkele vertakkingen voorzagen andere, hoger gelegen punten van de stad van water: de Aventinus, de Caelius, de Quirinalis en de Capitolinus (deze laatste had tot dan toe, gezien zijn hoogte, geen watertoevoer gehad). Later werden sommige vertakkingen opnieuw afgebroken, na de bouw van nieuwe aquaducten. De capaciteit van de Aqua Marcia bedroeg 187.600 kubieke meter of 187.600.000 liter water per dag.

(4) Aqua Tepula

De Aqua Tepula dateert van 125 en werd naar de stad geleid door de censoren Cnaeus Servilius Caepio en Lucius Cassius Longinus. Het water kwam uit de Albaanse heuvels nabij Marino (ten zuidoosten van Tivoli). De Aqua Tepula dankt zijn naam aan de lauwe temperatuur van het water (tepulus = lauw). De Aqua Tepula gebruikte het aquaduct van de Aqua Marcia; het water kwam dus Rome binnen ad Spem Veterem en liep tot het huidige Stazione Termini. De capaciteit van de Aqua Tepula bedroeg 17.800 kubieke meter of 17.800.000 liter water per dag.

(5) Aqua Julia

De Aqua Julia kwam, zoals de Aqua Tepula, uit de Albaanse heuvels. De Aqua Julia werd in 33 voor Christus door Marcus Vipsanius Agrippa aangelegd; hierbij bracht hij zowel de Aqua Tepula als de Aqua Julia in een nieuw gebouwde leiding, die 21.677 m lang was. Vanaf ad Spem Veterem bleef de Aqua Julia het tracé van de Aqua Marcia en de Aqua Tepula volgen. De capaciteit van de Aqua Julia bedroeg 48.240 kubieke meter of 48.240.000 liter water per dag.

(6) Aqua Virgo

De Aqua Virgo dankt zijn naam aan een meisje dat aan de soldaten van Agrippa, die op zoek waren naar geschikt water, de plaats van de bronnen aanwees. De Aqua Virgo dateert van 19 voor Christus en volgt een totaal andere weg dan de Aqua Julia, hoewel de bronnen vrij dicht bij elkaar lagen. De Aqua Virgo kwam de stad binnen doorheen de Pincioheuvel. Ter hoogte van de huidige Piazza di Spagna kwam het water voor de eerste maal bovengronds en liep dan over bogen (enkele zijn nog zichtbaar in de Via del Nazareno en de Via del Bufalo) tot de huidige Via del Seminario, waar ze voor de Saepta Julia eindigden (dus vlak bij het Pantheon). Van hier ging het, opnieuw ondergronds, naar de thermen van Agrippa. Het water van dit aquaduct voorziet nog steeds de Fontana di Trevi van water; nadat in 537 de aquaducten door de Goten waren onderbroken, werden ze in de Renaissance gerestaureerd en opnieuw in gebruik genomen. De lengte van de Aqua Virgo bedraagt ongeveer 25.000 m. De capaciteit van de Aqua Virgo bedroeg ongeveer 100.160 kubieke meter of 100.160.000 liter water per dag.

(7) Aqua Alsietina

Dit water, volgens Frontinus totaal ondrinkbaar, werd door Augustus naar Rome geleid in 2 voor Christus. Het kwam uit het Lago di Martignano en het Lago di Bracciano en bereikte Rome doorheen de Janiculum. De totale lengte van de Aqua Alsietina bedroeg 32.815 m. Het water dat naar Rome werd geleid, diende om de naumachia van Augustus (een enorme vijver in Trans Tiberim, op de rechter Tiberoever, bestemd voor "zee"gevechten) te voeden. De capaciteit van de Aqua Alsietina bedroeg 15.680 kubieke meter of 15.680.000 liter water per dag.

(8) Aqua Claudia

De Aqua Claudia werd in 38 begonnen onder het bewind van Caligula, maar pas in 52 in gebruik genomen onder keizer Claudius. De Aqua Claudia is het meest grandioze aquaduct van allemaal. Het water werd opgevangen aan de achtendertigste mijlsteen van de Via Sublacensis en bereikte Rome na een afstand te hebben afgelegd van 68.681 m, waarvan 15.060 m bovengronds. De laatste 10.508 m voor Rome lopen over die beroemde bogen die een van de meest karakteristieke kenmerken zijn van de Campagna Romana. Het water bereikte Rome ad Spem Veterem; het meest in het oog springende deel bevindt zich boven op de Porta Maggiore. Behalve de inscriptie van Claudius staan daar ook de inscripties van Vespasianus (71) en van Titus (81), na restauraties die zij lieten uitvoeren. De bogen van de Aqua Claudia werden dus ook opgenomen in de Aureliaanse muur. Ter hoogte van de Porta Maggiore liet Nero (54-68) een deel van het water afleiden over bogen naar de Caelius, waarbij ongeveer het tracé van de Aqua Appia werd gevolgd, maar dan bovengronds (delen van die bogen zijn nog zichtbaar nabij San Giovanni in Laterano, op de Piazza della Navicella en boven de boog van Dolabella op de Caelius). Vandaar ging het naar de tempel van de vergoddelijkte Claudius, die door Nero omgevormd was tot een nymphaeum (een aan een nimf gewijd, in dit geval enorm complex van fonteinen). Later, onder Septimius Severus (193-211), zou deze aftakking verder lopen naar de Palatijn om er het paleis van deze keizer te bevoorraden. De capaciteit van de Aqua Claudia bedroeg 184.280 kubieke meter of 184.280.000 liter water per dag.

(9) Aqua Anio novus

De Aqua Anio Novus werd samen met de Aqua Claudia gebouwd, van 38 tot 52. Hij verenigde zich met de Aqua Claudia ten oosten van Rome en samen kwamen ze de stad binnen om verder hetzelfde tracé te volgen. De lengte van de Aqua Anio Novus bedroeg 86.876 m. De capaciteit van de Aqua Anio Novus bedroeg 189.520 kubieke meter of 189.520.000 liter water per dag.

Nadat Frontinus het ambt van curator aquarum bekleed had, werden nog twee aquaducten gebouwd, waarover we natuurlijk minder nauwkeurige inlichtingen hebben; we beschikken na Frontinus immers niet meer over een gedetailleerde beschrijving...

(10) Aqua Traiana

De Aqua Traiana werd in 109 gebouwd. De bronnen liggen dicht bij het Lago di Bracciano. Na een tocht van 32.500 m bereikte het water de Janiculumheuvel. De Aqua Traiana bediende hoofdzakelijk Trans Tiberim (Trastevere). Het tracé van de Aqua Traiana werd in de Renaissance gedeeltelijk opnieuw in gebruik genomen voor de Acqua Paola (in 1606, door Paulus V).

(11) Aqua Alexandrina

De Aqua Alexandrina is het laatste Romeinse aquaduct, gebouwd door keizer Alexander Severus omstreeks 226. Het water kwam van ongeveer 20 km ten oosten van Rome en bereikte de stad over bogen die de Via Praenestina en de Via Labicana volgden tot aan de Porta Maggiore. Vandaar ging het water naar de thermen van Alexander, een verbouwing van de thermen van Nero op het Marsveld. Beide laatstgenoemde aquaducten brachten ongeveer 238.000 kubieke meter of 238.000.000 liter water per dag naar de Eeuwige Stad.
 

3. Vergelijking van de waterbevoorrading van het oude en moderne Rome

De totale capaciteit van alle aquaducten samen bedroeg ongeveer 1.123.000.000 liter water per dag; elke seconde arriveerde er in Rome dus 13 kubieke meter of 13.000 liter water... 44 % hiervan was bestemd voor fonteinen, thermen, latrines (WC's) en andere openbare gebouwen, 56 % voor particulier verbruik. De particulieren moesten het water wel zelf bij de fonteinen halen of door hun slaven laten halen. Als men bedenkt dat Rome in de Keizertijd ongeveer 1.200.000 inwoners had, dan mocht elke inwoner dagelijks 524 liter water voor eigen gebruik aanwenden en werden dagelijks bijna 1.000 liter water voor elke inwoner aangevoerd...

In 1970 bedroeg de aanvoer van water 1.036.800.000 liter per dag, wat neerkwam op 324 liter per inwoner (Rome telde dan, zoals nu, ongeveer 3.200.000 inwoners).

In 1990 werden dagelijks 1.814.400.000 liter water per dag aangevoerd, wat neerkomt op 567 liter per inwoner.
 

4. Enkele andere beroemde aquaducten in het Romeinse rijk

In het Romeinse rijk van toen zijn er tot op heden nog een tweehonderdtal indrukwekkende overblijfselen van aquaducten te zien. De meest opmerkelijke zijn:

= Pont du Gard: nabij Remoulins, ten oosten van Nîmes; gebouwd in 15 voor Christus. De Pont du Gard is 50 m hoog en 270 m lang.
= Puente del Diablo: (duivelsbrug) in Segovia (Spanje); 28,5 m hoog en 813 m lang.
= Istambul: beide antieke aquaducten, aangelegd door de keizers Hadrianus (117-138) en Valens (364-378), zijn er nog steeds in gebruik!

Terug naar de inhoudsopgaaf